Deze civiele zaak betreft een geschil tussen [persoon A] en [persoon 1/2/3] over derdenbeslag onder een vennootschap onder firma (v.o.f.) en onrechtmatig beslag op onroerende zaken die in de v.o.f. waren ingebracht.
De v.o.f. was ontbonden in 2008, waarna de onderneming door [persoon A] als eenmanszaak werd voortgezet. [persoon 1/2/3] legden in 2004 derdenbeslag onder de v.o.f. en [persoon A] verklaarde dat er geen vorderingen van [de broer] op hem of de v.o.f. bestonden. Desondanks zijn betalingen aan [de broer] gedaan die volgens het hof rechtstreeks voortvloeiden uit de v.o.f.-overeenkomst en derhalve onder het derdenbeslag vielen.
Het hof veroordeelde [persoon A] tot betaling van € 83.303 aan [persoon 1/2/3] wegens betalingen in weerwil van het beslag. Daarnaast oordeelde het hof dat het beslag op onroerende zaken van de v.o.f. onrechtmatig was omdat privé-schuldeisers van [de broer] geen verhaal kunnen nemen op het afgescheiden vermogen van de v.o.f. [persoon 1/2/3] werden aansprakelijk gehouden voor de door [persoon A] geleden schade door het onrechtmatige beslag.
De vorderingen van [persoon 1/2/3] met betrekking tot het derdenbeslag onder [persoon A] werden afgewezen wegens onvoldoende concrete feiten. De kosten werden verdeeld conform de uitkomst van de procedure. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad.