Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Mr. [de advocaat] ,
Stichting Derdengelden [de stichting] ,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak staat centraal of appellant recht heeft op een geldbedrag dat in een strafzaak aan hem werd toegewezen, maar door de advocaat en Stichting Derdengelden aan zijn broer is doorbetaald. Appellant stelt dat de advocaat een beroepsfout heeft gemaakt en dat er sprake is van onrechtmatig handelen, en vordert schadevergoeding.
Het hof baseert zich op de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank en voegt toe dat de Raad van Discipline heeft geoordeeld dat de advocaat tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Echter, het hof benadrukt dat appellant alleen schade kan lijden indien hij daadwerkelijk recht heeft op het geld.
Appellant heeft zijn stelling dat hij het geld uit een verzekering ontving en dit in bewaring gaf aan zijn broer onvoldoende onderbouwd. Het hof wijst erop dat het strafarrest waarin de teruggave werd gelast, niet inhoudt dat appellant civielrechtelijk gerechtigd is tot het geld. Omdat appellant geen bewijs heeft geleverd, kan het hof niet aannemen dat hij recht heeft op het geld.
Daarom is er geen schade geleden door de uitbetaling aan de broer en is er geen grond voor schadevergoeding. Het hof laat in het midden of er sprake is van beroepsfout of onrechtmatig handelen. Het hoger beroep faalt en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd omdat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat hij recht heeft op het geld.