ECLI:NL:GHARL:2019:7915

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 september 2019
Publicatiedatum
30 september 2019
Zaaknummer
000690-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 23 SvArt. 89 SvArt. 555 SvArt. 591a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oproeping verzoeker en advocaat voor behandeling verzoek ex artikel 89 Sv moet door openbaar ministerie worden verzorgd

Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot vergoeding van schade als gevolg van ondergane detentie en de kosten van het verzoekschrift. Tijdens de behandeling in raadkamer zijn verzoeker en zijn advocaat niet verschenen. Het hof constateert dat zij niet zijn opgeroepen voor de behandeling, terwijl dit op grond van artikel 89, derde lid, Sv, en artikel 23, tweede lid, Sv wel vereist is.

Het hof stelt vast dat de oproeping ingevolge artikel 555 Sv Pro op last van het openbaar ministerie moet plaatsvinden, dat het laatst vervolgd heeft. De praktijk waarbij de griffier de oproeping verzorgt, is niet in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. De brief die soms door de griffier wordt verzonden waarin wordt medegedeeld dat verschijnen niet nodig is, kan niet als oproeping worden beschouwd.

Daarom verklaart het hof de oproeping nietig en benadrukt dat het verschijnen van verzoeker en zijn advocaat in raadkamer niet verplicht is, maar dat zij dit zelf moeten afwegen. Het hof benadrukt dat het openbaar ministerie de oproeping dient te verzorgen voor de behandeling van het verzoek in openbare raadkamer.

Uitkomst: Het hof verklaart de oproeping nietig en bepaalt dat het openbaar ministerie verantwoordelijk is voor de oproeping van verzoeker en zijn advocaat voor de raadkamerbehandeling.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004582-17
AV-nummers: 000690-19 en 0000691-19
Uitspraak d.d.: 18 september 2019
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het verzoek ex artikelen 89 en 591a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
wonende te [adres] ,
domicilie kiezende ten kantore van mr. L. de Leon,
3581 CE Utrecht, Maliebaan 57,
hierna te noemen verzoeker.
Procesgang
Verzoeker vraagt vergoeding ten laste van de Staat voor de schade welke hij ten gevolge van ondergane detentie in een strafzaak heeft geleden ten bedrage van € 735,-, zoals nader in het verzoekschrift aangegeven. Daarnaast vraagt hij vergoeding van de kosten van indiening van het verzoekschrift.
Beoordeling
Verzoeker noch zijn advocaat zijn verschenen in raadkamer. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat verzoeker en zijn advocaat voor de behandeling in raadkamer zijn opgeroepen.
Een verzoek als dit dient, ingevolge artikel 89, derde lid, Sv, te worden behandeld in openbare raadkamer. Artikel 23, tweede lid, Sv bepaalt dat door de raadkamer het openbaar ministerie, de verdachte en andere procesdeelnemers worden gehoord, althans hiertoe opgeroepen, tenzij anders is voorgeschreven. Nu dat laatste niet het geval is, hadden verzoeker en zijn advocaat moeten worden opgeroepen voor de behandeling van het verzoek.
Een dergelijke oproeping dient, ingevolge artikel 555 Sv Pro, te geschieden op last van het openbaar ministerie dat het laatst vervolgd heeft. Een andere bepaling, zoals in dat artikel bedoeld, is er niet. Artikel 23, tweede lid, Sv kan in ieder geval niet als zodanige bepaling worden gezien, nu daarin niet staat dat de griffier van het gerecht oproept. Dat in de praktijk bij sommige gerechten de griffier van de raadkamer feitelijk wel de oproeping verzorgt doet daaraan niet af.
Het hof is bekend met de, tot voor kort ook in deze zittingsplaats bestaande, praktijk dat de griffier van het gerecht in schadevergoedingszaken een brief aan de advocaat van verzoeker verzendt waarin de griffier meedeelt dat verzoeker en zijn advocaat, gelet op het verzoek en het standpunt van het openbaar ministerie, op de voor de behandeling van het verzoek geplande datum niet in raadkamer behoeven te verschijnen, maar dat, indien de raadkamer overweegt van deze standpunten af te wijken, verzoeker en zijn advocaat voor de behandeling in raadkamer zullen worden opgeroepen. Een zodanige brief, die overigens in deze zaak niet is verzonden, kan niet als een oproeping voor de behandeling door de raadkamer worden beschouwd.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie dient zorg te dragen voor de oproeping van verzoeker en zijn advocaat voor de behandeling van het onderhavige verzoek in openbare raadkamer. Het hof zal de oproeping nietig verklaren.
Het hof merkt ten overvloede op dat de omstandigheid dat verzoeker en zijn advocaat worden opgeroepen voor de behandeling van het verzoek in raadkamer niet betekent dat hun verschijnen daar verplicht of aangewezen is. Verzoeker en zijn advocaat dienen zelf een afweging te maken of hun verschijnen in raadkamer dienstig kan zijn aan de beslissing op het verzoek.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de oproeping nietig.
Aldus gegeven door
mr. E. de Witt, voorzitter,
mr. P.W.J. Sekeris en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.H. Smeitink, griffier,
door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 18 september 2019 ter openbare zitting uitgesproken.