In deze civiele hoger beroepsprocedure staat de ontvankelijkheid van het verzet centraal, nadat het hof eerder een verstekarrest heeft gewezen waarin de opposant hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor schadevergoeding. Het hof onderzoekt of het verzet tijdig is ingesteld, waarbij het criterium van een daad van bekendheid met het arrest of de tenuitvoerlegging cruciaal is. Diverse pogingen van betekening en beslaglegging door de geopponeerde partij worden beoordeeld, maar geen daarvan leidt tot het starten van de verzettermijn. Uiteindelijk oordeelt het hof dat het verzet tijdig is ingesteld en dus ontvankelijk is.
Daarnaast behandelt het hof een incidentele vordering van de opposant tot overlegging van het volledige procesdossier. De geopponeerde partij heeft slechts het dossier na verwijzing overgelegd en weigert verdere stukken te verstrekken. Het hof wijst op het landelijk procesreglement dat volledige dossieroverlegging vereist en benadrukt het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor en het recht op een eerlijke behandeling van de zaak. Daarom beveelt het hof de geopponeerde partij om binnen veertien dagen na het incidentarrest alle processtukken tot en met het arrest van de Hoge Raad te overleggen, zodat de opposant hiervan afschrift kan nemen.
Het hof besluit dat vanwege het gebrek aan medewerking van de geopponeerde partij een uitzondering op de tweeconclusieregel gerechtvaardigd is, waardoor de opposant alsnog een memorie van antwoord mag nemen. De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing, met een rolzitting gepland voor de memorie van antwoord van de opposant.