ECLI:NL:GHARL:2019:8066

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 oktober 2019
Publicatiedatum
3 oktober 2019
Zaaknummer
Wahv 200.229.017/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WahvArt. 13 WahvHoofdstuk 8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing kantonrechter inzake Wahv-sanctie niet-ondersteuning terugwijzing

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen een administratieve sanctie van de officier van justitie ongegrond verklaarde. De sanctie betrof een boete van €230 wegens het niet stoppen voor een rood verkeerslicht op 13 september 2016.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de kantonrechter de zaak had moeten terugwijzen naar de officier van justitie na vernietiging van diens beslissing, omdat de Wahv geen terugwijzingsmogelijkheid aan de kantonrechter biedt. Tevens werd aangevoerd dat de hoorplicht door de officier van justitie was geschonden.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter onjuist handelde door niet terug te wijzen en vernietigde diens beslissing en die van de officier van justitie. Het hof stelde vast dat de hoorplicht inderdaad was geschonden en verklaarde het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond. De betrokkene ontkende de overtreding, maar het hof vond op basis van fotomateriaal dat de gedraging had plaatsgevonden en verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond. De overige bezwaren werden verworpen en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beslissingen van kantonrechter en officier van justitie wegens schending hoorplicht, maar verklaart het beroep tegen de administratieve sanctie ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.229.017/01
CJIB-nummer
: 201586327
Uitspraak d.d.
: 3 oktober 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

Terugwijzen kantonrechter

1. In het hoger beroepschrift merkt de gemachtigde van de betrokkene op dat hij niet ter zitting van de kantonrechter is verschenen omdat de kantonrechter niet aan een inhoudelijke behandeling van het beroep had mogen toekomen. De kantonrechter zou, zo stelt de gemachtigde, na vernietiging van de beslissing van de officier van justitie de zaak moeten terugwijzen. Anders zou de betrokkene een instantie worden ontnomen.
2. Artikel 13, eerste lid, van de Wahv bepaalt dat de kantonrechter, indien hij het beroep ontvankelijk acht en van oordeel is dat de beslissing van de officier van justitie niet of niet ten volle gehandhaafd kan worden, het beroep geheel of gedeeltelijk gegrond verklaart en de daarbij bestreden beslissing vernietigt dan wel wijzigt.
3. De Wahv voorziet niet in een mogelijkheid voor de kantonrechter om een bij de rechtbank aanhangige beroepsprocedure terug te wijzen naar de officier van justitie. Artikel 9, eerste lid, van de Wahv verklaart hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing, zodat de daarin opgenomen terugwijzingsmogelijkheid niet van toepassing is in zaken betreffende de Wahv. Indien de kantonrechter de zaak had teruggewezen naar de officier van justitie, dan zou de kantonrechter hebben gehandeld in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wahv.
De hoorplicht
4. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand heeft gelaten, nu de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden.
5. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de officier van justitie het beroep kennelijk ongegrond heeft verklaard en dat daarom rechtmatig voorbij is gegaan aan het horen.
6. De gemachtigde heeft in het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie aangevoerd dat het recht om te worden gehoord is geschonden. Het hof stelt vast dat het verzoek daartoe in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en dat zich geen andere uitzonderingsgevallen voordoen. Het beroep is niet kennelijk ongegrond. De officier van justitie heeft in de aangevoerde gronden aanleiding gezien om de stukken van het dossier te raadplegen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom dan ook vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Gelet daarop behoeven de overige bezwaren van de gemachtigde tegen die beslissingen geen bespreking meer. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
De gedraging
7. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”, welke gedraging zou zijn verricht op 13 september 2016 om 10:19 uur op de Amsteldijk te Amsterdam met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
8. Namens de betrokkene wordt de gedraging ontkend. Wel geeft de betrokkene toe dat het op het 'randje' was. Door extreme verkeersdrukte op de A1 dreigde hij namelijk een belangrijke afspraak te missen in het ziekenhuis.
9. Het dossier bevat twee foto's van de gedraging. Op de eerste foto is te zien dat het voertuig van de betrokkene zich nog net voor de stopstreep bevindt. Op de tweede foto is te zien dat het voertuig het verkeerslicht in zijn geheel voorbij is gereden. Op beide foto's staat het verkeerslicht op rood. In de databalk bij de foto's is onder meer vermeld dat de geeltijd 3,0 seconden bedroeg en de roodtijd (op het moment van de eerste foto) 1,4 seconden.
10. Uit de foto's blijkt dat het voertuig van de betrokkene het rode verkeerslicht voorbij is gereden. Daarmee staat vast dat de gedraging is verricht. De namens de betrokkene aangevoerde omstandigheden geven het hof geen aanleiding om de sanctie te matigen of op nihil te stellen.
11. De gemachtigde is verder van mening dat de sanctie te hoog is omdat de door de Minister vastgestelde verhogingen alleen al in de jaren 2008-2012 hoger zouden zijn geweest dan wettelijk toegestaan. Daarnaast meent hij dat de administratiekosten niet in rekening mogen worden gebracht en dat de beschikking niet geldig is. Deze argumenten worden bij gebreke van enige onderbouwing gepasseerd.
12. De verweren tegen de inleidende beschikking falen. Het beroep daartegen wordt ongegrond verklaard.
13. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.