Klaagster diende een klacht in tegen het besluit van de officier van justitie om geen strafvervolging in te stellen tegen beklaagde wegens mishandeling en diverse discriminatie-gerelateerde feiten. De klacht betrof onder meer poging tot zware mishandeling, mishandeling met voorbedachten rade en aanzetten tot haat en discriminatie.
Tijdens de raadkamerzittingen werden verklaringen van klaagster, beklaagde en getuigen besproken, evenals camerabeelden. De verklaringen stonden lijnrecht tegenover elkaar over het gebruik van een scherp voorwerp door beklaagde. De beelden toonden alleen dat beklaagde een blikje frisdrank had gegooid, dat klaagster raakte, maar geen letsel veroorzaakte.
Het hof oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om te concluderen dat er sprake was van mishandeling of medeplegen van discriminatie. Ook was er geen bewijs voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen beklaagden gericht op belediging. Daarom werd de klacht ongegrond verklaard en het sepot gehandhaafd.