Uitspraak
[appellante],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellante huurde vanaf 1 januari 2016 een woning met een gebruiksovereenkomst voor een houten schuur en paardenbak van geïntimeerde. De huur werd betaald tot en met juli 2017, waarna appellante de woning verliet en de sleutels inleverde. Geïntimeerde vorderde betaling van achterstallige huur en gebruiksvergoeding voor de stallen, welke de kantonrechter toewijst.
Appellante erkent de huur over augustus 2017, maar bestrijdt de huur over september 2017. Zij stelt dat geïntimeerde medio juli 2017 de huur mondeling heeft opgezegd door haar te verzoeken de woning te verlaten, wat zij als huuropzegging mocht opvatten. Geïntimeerde betwist dit en het hof geeft appellante de mogelijkheid bewijs te leveren.
Verder bestrijdt appellante dat zij een gebruiksovereenkomst voor de stallen heeft gesloten, maar het hof constateert dat zij de stallen vanaf oktober 2016 gebruikte en daarvoor een vergoeding betaalde. Nadere afspraken over het gebruik zijn onvoldoende gemotiveerd bestreden. De grief tegen incassokosten en rente faalt eveneens.
Het hof wijst partijen toe getuigen te horen en houdt verdere beslissing aan, met het advies tot schikking gezien de kosten en het geringe financiële belang.
Uitkomst: Het hof staat appellante toe bewijs te leveren over huuropzegging en houdt verdere beslissing aan.