ECLI:NL:GHARL:2019:8623

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 oktober 2019
Publicatiedatum
17 oktober 2019
Zaaknummer
Wahv 200.227.235/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 RVV 1990artikel 11 Wahvartikel 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onvoldoende bewijs milieuzone overtreding

De betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €230 opgelegd wegens het handelen in strijd met een geslotenverklaring voor niet toegelaten voertuigen in een milieuzone op 9 augustus 2016 te Utrecht. De betrokkene betwistte vanaf het begin de vaststelling van de gedraging en vroeg herhaaldelijk om een foto als bewijs.

De overtreding betreft artikel 62 RVV Pro 1990 in samenhang met bord C22a. De sanctie werd opgelegd door een buitengewoon opsporingsambtenaar, waarbij volgens beleidsregels een foto vereist is waarop het voertuig en het passeren van het bord zichtbaar zijn. In dit dossier ontbreekt een dergelijke foto.

Het hof stelt vast dat het zaakoverzicht en de aankondiging van beschikking onvoldoende bewijs leveren om de gedraging vast te stellen. Gezien het tijdsverloop en het feit dat de advocaat-generaal geen verweerschrift heeft ingediend, ziet het hof af van het vragen van aanvullende informatie.

Daarom vernietigt het hof de beslissing van de kantonrechter en de sanctiebeschikking, verklaart het beroep gegrond en gelast restitutie van de zekerheidstelling aan de betrokkene. Tevens veroordeelt het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten van €896.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs en de proceskosten worden vergoed.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.227.235/01
CJIB-nummer
: 200770831
Uitspraak d.d.
: 17 oktober 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 28 september 2017, betreffende

[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 25 januari 2018 en 11 februari 2018 zijn nog faxberichten van de gemachtigde ontvangen. Kopieën daarvan zijn toegestuurd aan de advocaat-generaal.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor niet aan de eisen voldoende voertuigen (bord C22a, bijlage I, RVV 1990, milieuzone)”, welke gedraging zou zijn verricht op 9 augustus 2016 om 10.53 uur op de Oudenoord te Utrecht met het voertuig met het kenteken [YY-YY-00] .
2. Uit de stukken komt naar voren dat de gemachtigde het vaststellen van de gedraging van meet af aan heeft betwist. Hij geeft in zijn hoger beroepschrift - onder meer - aan dat hij meermalen heeft verzocht om een foto van de gedraging te verstrekken. Daarnaast heeft de gemachtigde de aanwezigheid van de bebording reeds in een vroeg stadium betwist en de aanwezigheid daarvan is cruciaal om de gedraging te kunnen vaststellen.
3. De door de ambtenaar vastgestelde gedraging betreft een overtreding van artikel 62 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in samenhang met bord C22a van bijlage 1 bij dat reglement.
4. De sanctie is opgelegd door een buitengewoon opsporingsambtenaar. Het toepasselijke kader voor het door de gemeente digitaal handhaven op negatie van categorie C borden is, in het geval dit door een buitengewoon opsporingsambtenaar geschiedt, opgenomen in bijlage L van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar, zoals die ten tijde van de oplegging van de sanctie luidde (Staatscourant 2016, 33381). Als voorwaarde waaraan bij de uitoefening van de handhavingsbevoegdheid moet worden voldaan, is daarin - onder meer - vermeld dat op de foto het voertuig en het passeren van het bord door dat voertuig zichtbaar moet zijn. Blijkens inmiddels bestendige jurisprudentie van het hof kan, als aan de hiervoor weergegeven voorwaarde niet is voldaan, op andere wijze tot vaststelling van de gedraging worden gekomen. Het dossier zal in dat geval wel andere stukken dienen te bevatten op grond waarvan kan worden vastgesteld dat het toepasselijke C bord ten tijde van de gedraging op de pleeglocatie aanwezig was en dat het betreffende voertuig dit bord is gepasseerd.
5. Het hof stelt vast dat in het dossier een foto ontbreekt. Het zaakoverzicht en de daaraan ten grondslag liggende "aankondiging van beschikking" leveren onvoldoende bewijs op om de gedraging te kunnen vaststellen. Het hof ziet, in aanmerking genomen het tijdsverloop sinds de pleegdatum en het feit dat de advocaat-generaal daartoe, doordat hem de gelegenheid is geboden een verweerschrift in te dienen, reeds in de gelegenheid is geweest, ervan af om thans nog de advocaat-generaal te verzoeken om aanvullende informatie in het geding te brengen.
6. Gelet op het voorgaande is onvoldoende komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het hof zal om voorgaande reden de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking vernietigen. De zekerheidstelling zal aan de betrokkene worden gerestitueerd.
7. De gemachtigde heeft de volgende proceshandelingen verricht die op grond van het toepasselijke Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor vergoeding in aanmerking komen: het indienen van het administratief beroepschrift, een hoorzitting (telefonisch) bij de officier van justitie, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift. Voor elk van die handelingen dient één procespunt te worden toegekend, met dien verstande dat het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit het voor het horen door de officier van justitie toegekende hele punt zal halveren (vgl. het arrest van dit hof van 25 juli 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:6824). De waarde per punt bedraagt € 512,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 896,- (3,5 x € 512 x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 200770831 de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 896,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.