ECLI:NL:GHARL:2019:8658

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 oktober 2019
Publicatiedatum
18 oktober 2019
Zaaknummer
WAHV 200.229.696
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RVV 1990Art. 7:17 AwbArt. 3 lid 1 RVV 1990Art. 3 lid 2 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging administratieve sanctie wegens niet zoveel mogelijk rechts houden op autoweg

Betrokkene was door de officier van justitie administratief gesanctioneerd voor het niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg op 8 september 2016. De kantonrechter verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De gemachtigde van betrokkene stelde dat het recht om te worden gehoord was geschonden omdat niet alle processtukken tijdig waren verstrekt en dat betrokkene de overtreding niet had begaan.

Het hof oordeelde dat de gemachtigde voldoende gelegenheid had gekregen om te worden gehoord, met meerdere uitnodigingen voor hoorzittingen en dat de gemachtigde als professioneel rechtsbijstandverlener de redenen voor verhindering voldoende moest onderbouwen. Het enkele algemene bezwaar over het niet volledig verstrekte dossier was onvoldoende.

Wat betreft de overtreding stelde de gemachtigde dat er wel degelijk verkeer op de rechterrijstrook was, waardoor betrokkene niet voortdurend rechts kon rijden zonder gevaarlijk zigzaggedrag. Het hof vond de verklaring van de ambtenaar, die stelde dat de rechterrijstrook over een afstand van 2000 meter geheel vrij was, overtuigender dan de enkele ontkenning van de gemachtigde.

Daarmee stond vast dat de overtreding had plaatsgevonden en bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter. Omdat de inleidende beschikking niet werd vernietigd, wees het hof ook het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de administratieve sanctie en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

WAHV 200.229.696
18 oktober 2019
CJIB 201488043
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland
van 30 oktober 2017
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,
kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het recht om te worden gehoord is geschonden. De kantonrechter heeft dat miskend. De officier van justitie heeft de gemachtigde wel uitgenodigd voor een hoorzitting, maar deze had voorafgaande aan de zitting niet in alle dossiers die staan genoemd op de uitnodiging de stukken verstrekt. Een betrokkene dan wel zijn gemachtigde heeft recht op het procesdossier om zich te kunnen verweren.
2. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in het op nader aan te voeren gronden administratief beroepschrift van 29 september 2016 heeft verzocht om te worden gehoord. In het dossier bevindt zich een (aangetekend verzonden) uitnodiging van 27 februari 2017 van de CVOM voor een telefonische hoorzitting op 27 of 28 maart 2017 of een fysieke hoorzitting op 29 maart 2017. De uitnodiging had betrekking op meerdere zaken, waarvan de CJIB-nummers in een bijlage zijn genoemd. Bij brief van 9 maart 2017 heeft de gemachtigde aangegeven verhinderd te zijn op de voorgestelde data. Op 13 maart 2017 heeft de CVOM een brief (aangetekend) verstuurd waarin de gemachtigde nog éénmaal wordt uitgenodigd voor een hoorzitting. De datum voor die hoorzitting is 5 april 2017. In de brief wordt vermeld dat wanneer binnen de gegeven termijn geen reactie op het schrijven wordt ontvangen of als de gemachtigde na het maken van een afspraak zonder tegenbericht niet bereikbaar is of verschijnt, dit wordt gezien als een mededeling conform artikel 7:17, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht. In een brief met datum 23 maart 2017 merkt de gemachtigde op dat nog steeds niet in elke zaak het procesdossier is verstrekt en wordt verzocht om dat gebrek te herstellen om daarna een nieuwe datum te plannen. De gemachtigde schrijft ook dat hij niet afziet van het recht om te worden gehoord.
3. Naar het oordeel van het hof is de gemachtigde voldoende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. De officier van justitie heeft, nadat de gemachtigde had aangegeven verhinderd te zijn op het moment in de eerste uitnodiging, de zitting verplaatst en een nieuwe uitnodiging verstuurd. Van de gemachtigde mag, als professioneel rechtsbijstandsverlener, worden verwacht dat hij met voldoende redenen onderbouwt waarom een hoorzitting opnieuw niet door kan gaan op een voorgestelde datum. Hoewel in beginsel de op een zaak betrekking hebbende stukken moeten zijn verstrekt voorafgaand aan de hoorzitting, heeft de gemachtigde in reactie op het tweede voorstel enkel niet nader gespecificeerd aangevoerd dat niet in alle zaken de stukken zijn verstrekt. De gemachtigde had dit in reactie op de eerste uitnodiging ook al slechts in algemene bewoordingen aangegeven. De gemachtigde heeft niet ontkend in deze zaak de stukken te hebben ontvangen. Zonder verdere onderbouwing van de verhindering van de gemachtigde op het moment van de tweede datum voor een hoorzitting, kan dan ook niet gezegd worden dat de officier van justitie nogmaals een voorstel voor een hoorzitting had moeten doen. Dat de gemachtigde heeft aangevoerd geen afstand te doen van het recht te worden gehoord, doet daar niet aan af.
4. Verder richten de bezwaren van de gemachtigde zich tegen de beslissing van de kantonrechter om de inleidende beschikking in stand te laten. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 140,- opgelegd ter zake van “niet zoveel mogelijk rechts houden op een autoweg of autosnelweg”, welke gedraging zou zijn verricht op 8 september 2016 om 00:11 uur op de Rijksweg te Nieuwer Ter Aa met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .
5. Ten aanzien van de gedraging voert de gemachtigde aan dat de betrokkene deze niet heeft begaan. In tegenstelling tot hetgeen de ambtenaar heeft genoteerd was er wel degelijk verkeer op de rechter rijstrook aanwezig. Doordat er op deze rijstrook met name veel vrachtwagens reden en de betrokkene niet telkens van rechts naar links wilde zigzaggen, is de betrokkene op de andere rijstrook gaan rijden. Het komt de verkeersveiligheid niet ten goede indien telkens zigzaggend wordt gereden. Hierdoor bestaat de kans dat vrachtwagens moeten afremmen doordat een auto plots moet invoegen in een korte tussenruimte tussen de verschillende vrachtwagens. Waar het mogelijk was, is betrokkene keurig naar de meest rechtse strook gegaan.
6. Artikel 3, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990 (hierna: RVV 1990) luidt: “Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden".
7. De Nota van toelichting op artikel 3 van Pro het RVV 1990 houdt voor zover hier van belang in: “Artikel 3 bevat Pro de basisregel ten aanzien van de plaats op de weg voor bestuurders. Zij houden op het voor hen bestemde weggedeelte zoveel mogelijk rechts. Wat onder "zoveel mogelijk" dient te worden verstaan, wordt bepaald door de concrete situatie. Ingeval een rijbaan is verdeeld in rijstroken zal ingevolge artikel 3 in Pro beginsel de meest rechts gelegen rijstrook moeten worden gevolgd.”
8. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
"Ik zag dat de bestuurder de derde rijstrook volgde over een afstand van tenminste 2.000 m. De rijstrook, welke rechts naast de gevolgde rijstrook was gelegen, was over die afstand geheel vrij van verkeer. Er waren geen omstandigheden die het niet zoveel mogelijk rechts houden noodzaakten."
10. Zowel de ambtenaar als de gemachtigde hebben verklaard dat de betrokkene een tijd niet op de meest rechts gelegen rijstrook heeft gereden. Het verweer van de gemachtigde komt in principe neer op de enkele ontkenning dat de rijstrook rechts vrij was van verkeer. Dit is onvoldoende om aan de verklaring van de ambtenaar te twijfelen. Naar de overtuiging van het hof staat vast dat de gedraging is verricht.
10. Het hof zal gelet op het voorgaande de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
10. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.