ECLI:NL:GHARL:2019:8685

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 oktober 2019
Publicatiedatum
21 oktober 2019
Zaaknummer
200.257.333/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:403 BWArt. 69 Wet op de jeugdzorg (oud)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting man tot betaling helft ouderbijdrage voor uit huis geplaatste kinderen over beperkte periode

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de man verplicht was een bijdrage te leveren aan de vrouw voor de kosten van de uit huis geplaatste minderjarige kinderen. De vrouw vorderde betaling van de helft van de ouderbijdrage die zij had voldaan aan het LBIO over een periode die liep van 15 januari 2010 tot 14 november 2012.

Het hof oordeelde dat op grond van artikel 1:403 BW Pro geen bijdrage verschuldigd is over perioden die langer dan vijf jaar voor het verzoek liggen, waardoor alleen de periode van 25 april 2012 tot 15 november 2012 resteerde. De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op €137,52 per maand, gelijk aan de ouderbijdrage die de vrouw had betaald.

De draagkracht van de man werd betwist, maar het hof vond dat de vrouw voldoende aannemelijk had gemaakt dat de man in 2012 inkomsten had, onder meer door inschrijving van een eenmanszaak en het ontbreken van een gemotiveerde tegenbewijs van de man. Daarom werd de man veroordeeld tot betaling van de helft van de ouderbijdrage, €68,76 per maand, over de resterende periode.

De man had verder aangevoerd dat de vrouw mogelijk in aanmerking kwam voor vrijstelling van betaling aan het LBIO, maar dit werd door het hof verworpen omdat de vrouw niet tot de uitzonderingsgroepen behoorde. Ook het argument dat de vrouw de ouderbijdrage met kinderbijslag kon voldoen, werd verworpen.

Ten slotte werden de proceskosten niet aan een van de partijen toegewezen, maar ieder droeg zijn eigen kosten vanwege de affectieve relatie tussen partijen en de aard van de procedure.

Uitkomst: De man is verplicht de helft van de ouderbijdrage van €137,52 per maand te betalen over de periode 25 april 2012 tot 15 november 2012.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.257.333/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 5951160 MC EXPL 17-4738 RW/1368)
beschikking van 17 oktober 2019
inzake
[verzoekster] ,
wonende te [A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.J.L.M. Johannink te Coevorden,
en
[verweerder],
wonende te [B] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
zonder advocaat.

1.Het verdere geding in hoger beroep

1.1
Het hof verwijst naar de inhoud van zijn tussenarresten van 22 januari 2019 en 26 maart 2019, gewezen onder zaaknummer 200.239.155/01.
1.2
Bij het hiervoor genoemde arrest van 26 maart 2019 is de zaak in de stand waarin deze zich bevindt verwezen naar de rekestenkamer van het hof ter verdere behandeling.
1.3
Na het tussenarrest is bij het hof binnengekomen een journaalbericht van mr. Johannink van 16 augustus 2019 met productie(s).
1.4
De mondelinge behandeling heeft op 20 augustus 2019 plaatsgevonden. Verschenen is de vrouw, bijgestaan door mr. Johannink. Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de man niet verschenen.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Aan de orde is de vraag of op de man een verplichting rust tot betaling aan de vrouw van een bijdrage in het levensonderhoud van de twee minderjarige kinderen van partijen. Het LBIO heeft in verband met de uithuisplaatsing van beide kinderen over de periode van 15 januari 2010 tot en met 14 november 2012 (de dag waarop het gezag van de ouders is beëindigd) een ouderbijdrage van € 137,52 per maand in rekening gebracht bij de vrouw. Het (uiteindelijke) verzoek van de vrouw, zo begrijpt het hof dit, houdt in dat de man de helft van de ouderbijdrage (als bijdrage in het levensonderhoud van beide kinderen) aan de vrouw zal betalen.
2.2
Op grond van artikel 1:403 van Pro het Burgerlijk Wetboek is - wanneer niet eerder bij rechterlijke uitspraak of overeenkomst een bijdrage is vastgesteld - geen uitkering verschuldigd over de tijd, die op het tijdstip van het indienen van het verzoek reeds meer dan vijf jaren is verstreken. Aangezien de vrouw haar vordering bij dagvaarding van 25 april 2017 heeft ingesteld, zijn - anders dan de vrouw stelt - de alimentatietermijnen vervallen voor zover deze zien op de periode tot 25 april 2012.
2.3
Nu het verzoek van de vrouw ziet op de alimentatieverplichting van de man over de periode tot en met 14 november 2012, ligt alleen nog ter beoordeling voor de alimentatieverplichting over de periode van 25 april 2012 tot 15 november 2012. Het hof overweegt hierover als volgt.
2.4
De hoogte van de bijdrage wordt begrensd door de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de man. Het hof stelt de behoefte van de kinderen vast op het bedrag aan ouderbijdrage dat de vrouw op grond van artikel 69 Wet Pro op de jeugdzorg (oud) in rekening is gebracht, te weten € 137,52 per maand voor beide kinderen samen.
Over de draagkracht van de man overweegt het hof als volgt. Nu de vrouw verzoekt om te bepalen dat de man de helft van de ouderbijdragen dient te voldoen, ligt het in de eerste plaats op haar weg om te onderbouwen dat de man in 2012 daartoe voldoende draagkracht had. De vrouw heeft aangevoerd dat de man in 2012 inkomsten heeft gehad. Zij heeft verwezen naar het uittreksel van de Kamer van Koophandel waaruit blijkt dat tot medio 2012 een eenmanszaak - een sloopbedrijf - op naam van de man was ingeschreven in het handelsregister. De man heeft in eerste aanleg aangevoerd dat zijn draagkracht onvoldoende is om te kunnen bijdragen en heeft ter onderbouwing daarvan een brief van 4 april 2017 van de belastingdienst overgelegd inzake zijn inkomsten over 2012. De vrouw heeft hiertegen ingebracht dat in deze brief enkel is vermeld dat op dat moment geen inkomensgegevens over 2012 van de man bij de belastingdienst zijn geregistreerd. Ook heeft de vrouw in dat verband aangevoerd dat de man wel degelijk inkomsten had om van te leven, gelet op de inschrijving van een onderneming op zijn naam tot medio 2012. Volgens de vrouw heeft de man ondanks de uitschrijving van zijn onderneming zijn activiteiten voortgezet in die zin dat hij zijn inkomsten niet verantwoordde. Ook heeft zij een uittreksel uit het handelsregister overgelegd waaruit blijkt dat de man met ingang van 24 maart 2014 opnieuw is ingeschreven als eenmanszaak met als activiteiten het slopen van bouwwerken. Ter zitting heeft de vrouw bovendien verklaard dat zij van de partner van de man heeft vernomen dat hij moeilijkheden heeft gehad met de belastingdienst. Nu de man niet ter zitting is verschenen en geen toelichting heeft gegeven op hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht, en in het bijzonder ook niet heeft uitgelegd waarvan hij in die periode van april tot en met november 2012 heeft geleefd, is het hof van oordeel dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat hij in die periode geen althans onvoldoende inkomsten heeft gehad om de helft van de ouderbijdragen te kunnen betalen. Het hof zal dan ook bepalen dat de man de helft van de maandelijkse ouderbijdrage ten bedrage van € 137,52, ofwel € 68,76 per maand over de periode van 25 april 2012 tot 15 november 2012 aan de vrouw dient te voldoen.
2.5
Voor zover de man heeft aangevoerd dat de vrouw niet heeft aangetoond dat zij niet in aanmerking kwam voor de mogelijkheid van het LBIO om de ouderbijdrage in individuele gevallen buiten invordering te stellen en dit tot gevolg heeft dat de vrouw geen bijdrage van hem kan vorderen, overweegt het hof als volgt. De vrouw heeft een brief van 28 juli 2015 van het LBIO overgelegd waarin is uitgelegd dat de ouderbijdrage onafhankelijk van het inkomen wordt vastgesteld en dat het LBIO in individuele gevallen - nader genoemd in de betreffende brief - de mogelijkheid heeft om deze buiten invordering te stellen. De vrouw heeft aangevoerd dat zij niet in de genoemde groepen van ouders viel waarvoor een uitzonderingspositie gold; de uitzonderingssituatie voor de ouders die een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ontvingen was niet van toepassing op haar, omdat zij in de betreffende periode waarin de ouderbijdrage verschuldigd was gelet op haar leeftijd geen aanspraak kon maken op deze uitkering. Nu de man tegen het voorgaande onvoldoende heeft ingebracht, gaat het hof aan zijn stelling voorbij.
Voor zover de man nog heeft gesteld dat de vrouw de ouderbijdrage heeft kunnen voldoen met de kinderbijslag die zij ontving, gaat het hof ook aan die stelling voorbij, aangezien uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat zij in 2012 geen aanspraak had op kinderbijslag.
De stelling van de man dat hij er geen rekening mee heeft kunnen en behoeven te houden dat hij alsnog zou worden aangesproken kan evenmin tot een ander oordeel leiden, nu uit de wet voortvloeit dat de man als gezaghebbend ouder over de periode vanaf 25 april 2012 tot 15 november 2012 een onderhoudsplicht heeft en tijdsverloop daar op zichzelf geen verandering in brengt.
Proceskostenveroordeling
2.6
Het hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, omdat partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en de procedure de bijdrage inzake de uit die relatie geboren kinderen betreft. Het hof zal daarom de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof het bestreden vonnis om proceseconomische redenen geheel vernietigen en opnieuw beslissen als hierna vermeld.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 24 januari 2018, en opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man de helft van de maandelijkse bijdrage ten bedrage van € 137,52, ofwel
€ 68,76 per maand, over de periode van 25 april 2012 tot 15 november 2012 aan de vrouw dient te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in eerste instantie en in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, J.G. Idsardi en M. Weissink, bijgestaan door mr. I.M. Klaver als griffier, en is op 17 oktober 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.