Uitspraak
1.Het verdere geding in hoger beroep
2.De motivering van de beslissing
3.De slotsom
4.De beslissing
€ 68,76 per maand, over de periode van 25 april 2012 tot 15 november 2012 aan de vrouw dient te voldoen;
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de man verplicht was een bijdrage te leveren aan de vrouw voor de kosten van de uit huis geplaatste minderjarige kinderen. De vrouw vorderde betaling van de helft van de ouderbijdrage die zij had voldaan aan het LBIO over een periode die liep van 15 januari 2010 tot 14 november 2012.
Het hof oordeelde dat op grond van artikel 1:403 BW Pro geen bijdrage verschuldigd is over perioden die langer dan vijf jaar voor het verzoek liggen, waardoor alleen de periode van 25 april 2012 tot 15 november 2012 resteerde. De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op €137,52 per maand, gelijk aan de ouderbijdrage die de vrouw had betaald.
De draagkracht van de man werd betwist, maar het hof vond dat de vrouw voldoende aannemelijk had gemaakt dat de man in 2012 inkomsten had, onder meer door inschrijving van een eenmanszaak en het ontbreken van een gemotiveerde tegenbewijs van de man. Daarom werd de man veroordeeld tot betaling van de helft van de ouderbijdrage, €68,76 per maand, over de resterende periode.
De man had verder aangevoerd dat de vrouw mogelijk in aanmerking kwam voor vrijstelling van betaling aan het LBIO, maar dit werd door het hof verworpen omdat de vrouw niet tot de uitzonderingsgroepen behoorde. Ook het argument dat de vrouw de ouderbijdrage met kinderbijslag kon voldoen, werd verworpen.
Ten slotte werden de proceskosten niet aan een van de partijen toegewezen, maar ieder droeg zijn eigen kosten vanwege de affectieve relatie tussen partijen en de aard van de procedure.
Uitkomst: De man is verplicht de helft van de ouderbijdrage van €137,52 per maand te betalen over de periode 25 april 2012 tot 15 november 2012.