Beoordeling
1. De gemachtigde stelt dat hij de officier van justitie in een brief van 19 september 2016 heeft gevraagd om toezending van het zaakoverzicht. De officier van justitie heeft dit vervolgens niet tijdig verstrekt.
2. Het hof kan het verweer van de gemachtigde niet volgen. De inleidende beschikking dateert van 4 mei 2017. Er kan op 19 september 2016 dus nog niet om stukken zijn verzocht. Voor zover de gemachtigde doelt op zijn brief van 19 september 2017, gaat het verweer evenmin op. Die brief is het beroepschrift bij de kantonrechter. Daarin is niet om stukken verzocht. Bovendien heeft de officier van justitie in de procedure bij de kantonrechter geen taak als het gaat om toezending van stukken. Overigens blijkt uit de inhoud van de beroepsgronden dat de gemachtigde reeds in administratief beroep bekend was met de inhoud van het zaakoverzicht. Gelet op dit alles faalt het verweer.
3. De gemachtigde voert verder aan dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden.
4. Bij brief van 29 juni 2017 heeft de officier van justitie de gemachtigde uitgenodigd voor een hoorzitting op 22 augustus 2017 in Utrecht. De gemachtigde is via een meegestuurd retourformulier gevraagd om aan te geven in welke zaken hij wil worden gehoord. De onderhavige zaak is op het formulier opgenomen met het kenmerk ' [betrokkene] '.
5. Op 31 juli 2017 is het ingevulde formulier door de officier van justitie retour ontvangen. Achter de naam van de betrokkene, [betrokkene] , heeft de gemachtigde geschreven: 'wie?'. Op het formulier is niet aangekruist dat de gemachtigde in de zaak [betrokkene] wil worden gehoord. In een bijgevoegde brief stelt de gemachtigde onder meer dat er namen op de lijst staan die 'geen cliënt van ons zijn'. Bij een aantal andere zaken is aangekruist dat de gemachtigde wil worden gehoord op 22 augustus 2017.
6. Op 4 augustus 2017 is nogmaals een retourformulier naar de gemachtigde toegestuurd, dit keer met vermelding van CJIB-nummers in plaats van achternamen. Opnieuw is de gemachtigde gevraagd om aan te geven in welke zaken hij op 22 augustus 2017 wil worden gehoord.
7. Bij brief van 9 augustus 2017, ontvangen op 15 augustus 2017, geeft de gemachtigde aan dat hij niet meer kan worden gehoord op 22 augustus 2017, nu dat al over 13 dagen is en hij allerlei oproepen heeft ontvangen. De gemachtigde vraagt om verplaatsing van de hoorzitting.
8. Bij brief van 4 september 2017 geeft de officier van justitie aan dat is afgezien van het horen van de gemachtigde, nu hij geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid.
9. Gelet op het vorenstaande, stelt het hof vast dat de gemachtigde meermaals behoorlijk is uitgenodigd om op 22 augustus 2017 inzake het beroep te worden gehoord en was hij op die datum kennelijk ook beschikbaar. Dat de gemachtigde zonder verdere onderbouwing, anders dan dat hij allerlei oproepen heeft ontvangen, een week voor de hoorzitting heeft verzocht om verplaatsing van de hoorzitting, doet er niet aan af dat de officier van justitie de gemachtigde behoorlijk in de gelegenheid heeft gesteld om te worden gehoord. De klacht over schending van de hoorplicht treft geen doel.
10. De overige bezwaren van de gemachtigde zijn gericht tegen de inleidende beschikking, waarbij de betrokkene een sanctie van € 230,- is opgelegd voor “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 25 april 2017 om 15:15 uur op de Rijksweg A16 te Zevenbergschen Hoek met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
11. De gemachtigde betwist dat de betrokkene een telefoon heeft vastgehouden. De politieagent die de betrokkene heeft staandegehouden, heeft onvoldoende bewijs om dat hard te maken. De betrokkene zou de navigatie hebben bediend via de houder. Er zijn geen toestelkenmerken genoteerd, terwijl dat wel is vereist. Gelet op dit alles betwijfelt de gemachtigde de juistheid van de beschikking.
12. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
13. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
"Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp met zijn linkerhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof. Telefoon in linkerhand en was op zijn telefoon aan het kijken."
14. In een aanvullend proces-verbaal d.d. 15 juli 2017 verklaart de ambtenaar onder meer:
“Op het moment van constateren van de overtreding reed de verbalisant naast het voertuig van de betrokkene. Ik, verbalisant, zag duidelijk dat het een mobiele telefoon betrof. Doordat ik naast het voertuig van de bestuurder ging rijden en deze mij in eerste instantie niet zag, had ik de gelegenheid om goed in het voertuig te kijken. Ik zag ook dat het geen navigatie betrof welke in een houder zou staan.”
15. De gemachtigde betwist de gedraging, maar geeft hiervoor onvoldoende argumenten. Anders dan de gemachtigde betoogt, stelt geen rechtsregel de vaststelling dat een gedraging als deze is verricht afhankelijk van het al dan niet noteren van het merk en type van het gebruikte telefoontoestel. Ook het dossier bevat geen aanwijzingen dat de waarneming van de ambtenaar niet juist zou zijn. Het hof ziet daarom geen reden om aan de juistheid van de gegevens in het zaakoverzicht te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
16. De beroepsgronden missen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
17. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).