Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 1990 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen en een vergoedingsregeling. Na hun echtscheiding in 2019 ontstond een geschil over partneralimentatie en de omvang van vergoedingsrechten.
De vrouw verzocht partneralimentatie en hogere vergoedingsrechten, terwijl de man incidenteel hoger beroep instelde tegen haar vergoedingsrecht en vorderde wettelijke rente. Het hof oordeelde dat de vrouw haar verdiencapaciteit niet voldoende had benut en wees haar verzoek tot partneralimentatie af.
Ten aanzien van de vergoedingsrechten bevestigde het hof het recht van de man op € 222.115,- vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 mei 2019. Het vergoedingsrecht van de vrouw werd vastgesteld op € 4.462,50, lager dan door haar gevorderd, omdat niet was aangetoond dat haar privévermogen volledig in de woning was geïnvesteerd.
De bestreden beschikking werd voor zover nodig vernietigd en opnieuw bepaald, met compensatie van de proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad.
Uitkomst: Partneralimentatie afgewezen, vergoedingsrecht man vastgesteld op €222.115,- met wettelijke rente, vergoedingsrecht vrouw vastgesteld op €4.462,50.