De zaak betreft een geschil tussen de moeder en de gecertificeerde instelling (GI) over het verlenen van vervangende toestemming voor medische behandeling in de vorm van vaccinaties van drie minderjarige kinderen die onder toezicht staan. De ouders oefenen gezamenlijk gezag uit, maar zijn feitelijk uit elkaar en de kinderen verblijven bij de vader. De GI heeft op grond van artikel 1:265h BW een verzoek ingediend voor vervangende toestemming voor vaccinatie volgens het Rijksvaccinatieprogramma.
De moeder is tegen deze beschikking in hoger beroep gegaan en verzocht onder meer de schorsing van de uitvoerbaarheid en vernietiging van de beschikking. Het hof oordeelt dat het verzoek tot schorsing niet meer relevant is omdat het vonnis gelijktijdig wordt uitgesproken. Het hof stelt vast dat de GI ontvankelijk is in haar verzoek, ook zonder dat er een direct verband hoeft te zijn met de reden van de ondertoezichtstelling.
Het hof bepaalt dat het toetsingskader niet artikel 1:265h BW (noodzakelijkheidscriterium) is, maar artikel 1:253a BW (in het belang van het kind wenselijk). Dit voorkomt onnodige conflicten tussen ouders in complexe situaties van ondertoezichtstelling. De moeder bracht geen nieuwe feiten aan en de huisarts bevestigde dat vaccinatie passend en veilig is. Het hof bekrachtigt daarom de beschikking en verleent de GI vervangende toestemming voor vaccinatie van de kinderen.