ECLI:NL:GHARL:2019:9428

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 november 2019
Publicatiedatum
4 november 2019
Zaaknummer
Wahv 200.227.651/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen administratieve sanctie wegens onvoldoende lichtdoorlatendheid autoruiten

De betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €230 opgelegd wegens onvoldoende lichtdoorlatendheid van de voorruit en voorste zijruiten van zijn voertuig, vastgesteld op 30 september 2016. In eerste aanleg werd het beroep tegen deze sanctie ongegrond verklaard. De betrokkene stelde in hoger beroep dat de kantonrechter ten onrechte het motiveringsgebrek in de beslissing van de officier van justitie niet had erkend, omdat het vertrouwensbeginsel niet was meegewogen.

Het hof oordeelde dat de kantonrechter en de officier van justitie hun beslissingen moesten vernietigen vanwege het motiveringsgebrek, en dat het beroep tegen de inleidende beschikking opnieuw beoordeeld moest worden. Het hof overwoog dat hoewel de gedraging vaststond, het beroep op het vertrouwensbeginsel onvoldoende was onderbouwd. De goedkeuring van het voertuig door de RDW en het feit dat het voertuig al jaren APK-goedgekeurd was, rechtvaardigt geen vertrouwen dat alle voertuigeisen, waaronder lichtdoorlatendheid, werden nageleefd.

De betrokkene had niet specifiek aandacht gevraagd voor de lichtdoorlatendheid bij de keuring en moest daarom de sanctie accepteren. Daarnaast werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen omdat de inleidende beschikking niet werd vernietigd. Het hof vernietigde de eerdere beslissingen, verklaarde het beroep tegen de officier van justitie gegrond, maar verklaarde het beroep tegen de sanctie ongegrond en wees het verzoek om kostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de administratieve sanctie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.227.651/01
CJIB-nummer
: 201850264
Uitspraak d.d.
: 4 november 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 27 oktober 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 13 februari 2018 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter de klacht dat de officier van justitie de inhoudelijke grond tegen de inleidende beschikking niet heeft behandeld ongemotiveerd heeft afgewezen.
2. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “de lichtdoorlatendheid van voorruit / voorste zijruit(en) bedraagt minder dan 55%.” Deze gedraging zou zijn verricht op 30 september 2016 om 10:23 uur op de Zichtenburglaan te 's-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [YY-00-00] .
3. In administratief beroep heeft de gemachtigde van de betrokkene de gedraging niet ontkend, maar is met een beroep op het vertrouwensbeginsel aangevoerd dat het bedrag van de sanctie gematigd mag worden. Aangevoerd is dat de betrokkene het voertuig (uit 1962) 21 jaar geleden vanuit Amerika heeft geïmporteerd, de ruiten waren toen al getint. De RDW heeft het voertuig goedgekeurd voor het rijden op de Nederlandse weg en het voertuig is ook al jaren probleemloos door de APK-keuring gekomen. De betrokkene mag er dan op vertrouwen dat de overheid dit werk goed heeft gedaan en dat de auto voldoet aan de geldende voertuigeisen.
4. De officier van justitie heeft blijkens zijn beslissing dit verweer zo opgevat dat de aangebrachte folie volgens de betrokkene was toegestaan. De officier van justitie is ingegaan op de wettelijke regeling, kent doorslaggevende betekenis toe aan de waarneming van de verbalisant en verwijst voor het bewijs naar de bijlage(n).
5. De officier van justitie is niet ingegaan op de kern van het verweer van de betrokkene, namelijk het vertrouwensbeginsel. Er is sprake van een motiveringsgebrek en daarover heeft de gemachtigde expliciet geklaagd in de procedure bij de kantonrechter. Gelet daarop had de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie moeten vernietigen. Het hof zal de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen. De overige bezwaren die zijn aangevoerd tegen beide beslissingen hoeven nu niet meer besproken te worden.
6. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er -hoewel kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht- redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. De omstandigheid dat de advocaat-generaal geen verweerschrift heeft uitgebracht is niet zo'n reden.
7. Hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd is onvoldoende. Het hof overweegt daartoe dat het de verantwoordelijkheid van de betrokkene is dat zijn voertuig voldoet aan de gestelde eisen. De omstandigheid dat de RDW het voertuig heeft goedgekeurd om te mogen rijden op de Nederlandse weg, brengt op zichzelf niet mee dat de betrokkene erop mocht vertrouwen dat het voertuig voldeed aan alle gestelde voertuigeisen. Niet is gebleken dat de betrokkene ter gelegenheid van de keuring in het bijzonder aandacht heeft gevraagd voor de lichtdoorlatendheid van de ruiten van het voertuig. De omstandigheid dat de betrokkene ervan uitging dat de geblindeerde ramen waren toegestaan, dient dan ook voor zijn rekening te komen.
8. De gemachtigde van de betrokkene heeft in administratief beroep gesteld dat hij op grond van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1585) recht heeft op alle door hem in het beroepschrift van 2 november 2016 genoemde stukken. Die stelling is niet juist, slechts bestaat aanspraak op de op de zaak betrekking hebbende stukken. Dat de gemachtigde die stukken niet heeft gekregen is niet gesteld.
9. Nu de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).
10. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.