ECLI:NL:GHARL:2019:9457

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 november 2019
Publicatiedatum
5 november 2019
Zaaknummer
Wahv 200.231.618/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:18 AwbArt. 107 lid 2 sub b WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing officier van justitie inzake administratieve sanctie rijbewijsverval

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het administratief beroep tegen een sanctie wegens rijden met een verlopen rijbewijs ongegrond verklaarde. De gemachtigde voerde aan dat de officier van justitie niet tijdig de zaakstukken, waaronder het zaakoverzicht en foto's, had verstrekt zoals vereist volgens artikel 7:18, vierde lid, Awb.

Het hof constateerde dat niet is gebleken dat de officier van justitie aan deze informatieverplichting had voldaan, mede doordat onduidelijk was of het zaakoverzicht daadwerkelijk aan de gemachtigde was toegezonden. Hierdoor werd de beslissing van de kantonrechter vernietigd en het beroep tegen de officier van justitie gegrond verklaard.

Tegelijkertijd beoordeelde het hof het beroep tegen de administratieve sanctie van €90 wegens het rijden met een verlopen rijbewijs op 5 oktober 2016. De overtreding stond vast en de betwisting van de betrokkene en zijn gemachtigde, onder meer over de motieven van de sanctie, werden verworpen. Het beroep tegen de sanctie werd ongegrond verklaard.

Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de inleidende beschikking niet werd vernietigd. Het arrest werd gewezen door mr. Sekeris en uitgesproken te Leeuwarden op 5 november 2019.

Uitkomst: Beslissing kantonrechter vernietigd wegens niet-naleving informatieverplichting, beroep tegen sanctie rijbewijsverval ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.231.618/01
CJIB-nummer
: 202028377
Uitspraak d.d.
: 5 november 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 6 december 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is [B] , kantoorhoudende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep onder meer aan dat de officier van justitie niet tijdig de zaakstukken heeft overgelegd. Bij het instellen van administratief beroep is verzocht om toezending van het zaakoverzicht en de foto's van de gedraging, maar het procesdossier is pas toegestuurd door de kantonrechter nadat beroep was ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie.
2. Artikel 7:18, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken op te vragen bij het beroepsorgaan. Het gaat daarbij om stukken die nodig zijn om een boete op basis daarvan aan te vechten (vlg. ABRS 19 november 2014, ECLI:NL:RvS:2014:4129). Naar het oordeel van het hof moet in een zaak als deze daaronder worden begrepen het zaakoverzicht en een eventuele foto van de gedraging.
3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in administratief beroep verzocht heeft om hem - onder meer - het complete CJIB zaakoverzicht en de foto's toe te sturen. Uit de stukken van het dossier kan niet worden afgeleid dat de officier van justitie aan dit verzoek gevolg heeft gegeven. Weliswaar wordt in een brief van de CVOM aan de gemachtigde van 18 april 2017, inzake het inplannen van een (telefonische) hoorzitting, aangegeven dat de gemachtigde daarbij voor de zaken genoemd in de bijlage de gegevens ontvangt die de CVOM op dat moment in bezit heeft, maar uit deze brief blijkt niet welke informatie dat is en evenmin kan op basis van de stukken in het dossier worden vastgesteld of die informatie daadwerkelijk aan de gemachtigde is verzonden.
4. In het dossier bevindt zich verder een aan de gemachtigde gericht schrijven van de CVOM d.d. 9 januari 2017 waarin is vermeld dat het zaakoverzicht wordt verstrekt. Uit de beslissing van de kantonrechter kan worden afgeleid dat de officier van justitie ter zitting een uitdraai uit de verzendadministratie van de sectie Wob heeft overgelegd. Deze uitdraai bevindt zich tussen de stukken. De kantonrechter heeft hieromtrent overwogen dat hieruit genoegzaam blijkt dat deze brief, inhoudende het zaakoverzicht, aan de gemachtigde is toegezonden. De gemachtigde heeft de ontvangst van dit schrijven in hoger beroep nadrukkelijk betwist.
5. Het hof stelt vast dat op de verzendadministratie is te zien dat de medewerker van de postkamer op 9 januari 2017 een viertal brieven gericht aan het adres van de gemachtigde heeft ontvangen en ter post bezorgd. Een van deze brieven bevat het kenmerk IP4569. Dit kenmerk komt terug op de brief van 9 januari 2017 betreffende toezending van het zaakoverzicht. Het dossier bevat echter nog een aan de gemachtigde gerichte brief gedagtekend 9 januari 2017 met kenmerk IP4569, namelijk een verzuimbrief waarin de gemachtigde wordt verzocht de gronden van het administratief beroep op te geven. Reeds om die reden is het hof niet in staat om vast te stellen of de brief met het zaakoverzicht daadwerkelijk (op 9 januari 2017) aan de gemachtigde is toegezonden.
6. Voorgaande houdt in dat niet is gebleken dat de officier van justitie heeft voldaan aan zijn informatieverplichting, zodat sprake is van strijd met het bepaalde in artikel 7:18, vierde lid, van de Awb. De kantonrechter heeft dit niet onderkend. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook deze beslissing vernietigen. De overige tegen deze beslissingen aangevoerde bezwaren behoeven daarmee geen bespreking meer.
7. Thans staan ter beoordeling van het hof de namens de betrokkene aangevoerde bezwaren tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene een administratieve sanctie van € 90,- is opgelegd ter zake van “rijden terwijl het rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur (< 1 jaar)”, welke gedraging zou zijn verricht op 5 oktober 2016 om 15:25 uur op de N36 te Vriezenveen met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
8. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene werkzaam is bij de [C] . Hij was destijds in het kader van zijn werkzaamheden bezig met het behalen van een rijbewijs voor het rijden met een aanhanger. Zijn werkgever zou hem hebben gezegd te wachten met het verlengen van zijn rijbewijs, tot hij zijn rijbewijs voor een aanhanger zou hebben gehaald. Het is volgens de gemachtigde daarnaast onzin dat de ambtenaar - overigens niet onder ede - verklaart dat de sanctie is opgelegd in het kader van de veiligheid op de weg. Oplegging van een sanctie in deze situatie heeft enkel en alleen te maken met het spekken van de staatskas.
9. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 107, tweede lid, sub b van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) waarin is bepaald dat het rijbewijs zijn geldigheid niet dient te hebben verloren.
10. Uit de gegevens in het zaakoverzicht volgt dat het rijbewijs voor 3 april 2016 verlengd moest worden en dat het rijbewijs zijn geldigheid had verloren op het moment van de gedraging. Dit is door de betrokkene niet betwist. De gedraging staat dan ook vast.
11. Dat de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht niet op ambtseed is opgemaakt, doet aan het voorgaande niet af. De vaststelling dat een gedraging is verricht, kan immers ook worden gebaseerd op een niet-ambtsedige verklaring van een ambtenaar.
12. Hetgeen verder namens de betrokkene is aangevoerd, geeft het hof geen aanleiding om tot matiging van het bedrag van de sanctie of ongedaanmaking daarvan over te gaan. De ambtenaar heeft verklaard ter controle op de naleving van de bij of krachtens de WVW 1994 gestelde bepalingen nader onderzoek te hebben ingesteld. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk gemaakt dat de onderhavige sanctieoplegging een ander doel diende, zodat deze beroepsgrond van de gemachtigde geen doel treft.
13. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.
14. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beslissing van de officier van justitie;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.