ECLI:NL:GHARL:2019:9464

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 november 2019
Publicatiedatum
5 november 2019
Zaaknummer
Wahv 200.234.192/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 WVW 1994Art. 72 WVW 1994Art. 73 WVW 1994Artikel 2 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie wegens verlopen keuringsbewijs ondanks persoonlijke omstandigheden

De betrokkene werd administratief gesanctioneerd wegens het verlopen van het keuringsbewijs van haar voertuig, vastgesteld op 1 juni 2016. Hoewel de betrokkene aanvoerde dat haar ex-man verantwoordelijk was voor de APK-keuring en verzekering, blijft zij als kentekenhouder zorgplichtig om het voertuig tijdig te laten keuren.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene gegrond tegen de beslissing van de officier van justitie, vernietigde deze en wees het beroep tegen de inleidende beschikking af. De betrokkene vorderde tevens proceskostenvergoeding, die door de kantonrechter deels werd toegewezen.

Het hof oordeelt dat de persoonlijke omstandigheden en de afspraak met de ex-man geen bijzondere omstandigheden vormen die tot matiging of kwijtschelding van de sanctie leiden. De wettelijke zorgplicht blijft onverminderd van kracht. Het hof bevestigt daarom het oordeel van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie wegens verlopen keuringsbewijs en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.234.192/01
CJIB-nummer
: 199748698
Uitspraak d.d.
: 5 november 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 22 januari 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 123,75.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De namens de betrokkene aangevoerde bezwaren richten zich onder meer tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. Bij deze inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van “voor het motorrijtuig van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs zijn geldigheid verloren”, welke gedraging blijkens een registercontrole van de RDW zou zijn verricht op 1 juni 2016 met het voertuig met het kenteken
[YY-YY-00] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging is verricht, maar dat er omstandigheden zijn die ertoe moeten leiden dat de sanctie ongedaan wordt gemaakt. Het voertuig staat weliswaar op naam van de betrokkene, maar de betaling van de verzekering en de apk keuring verliep via haar ex-man, die daartoe geld kreeg van de betrokkene. Haar ex-man heeft zich na de scheiding aan deze verplichtingen onttrokken en de betrokkene in diepe schulden achtergelaten. Subsidiair heeft de gemachtigde matiging van het sanctiebedrag tot de helft bepleit, in overeenstemming met de lijn van rechtbanken hier in Nederland. De kantonrechter heeft zich over dit verzoek niet uitgelaten.
3. De gedraging is gebaseerd op artikel 72, tweede lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).
4. Artikel 72 van Pro de WVW 1994 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“2. Het keuringsbewijs dient: (...)
b. zijn geldigheid niet te hebben verloren, (...)
3. Voor overtreding van het eerste lid en het bepaalde bij of krachtens het tweede lid zijn aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of houder, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder.”
5. Uit artikel 67, eerste lid, van de WVW 1994 blijkt dat de betrokkene als houder van het motorrijtuig er verantwoordelijk voor is om, indien met het voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt, de Dienst Wegverkeer te verzoeken de geldigheid van de tenaamstelling in het kentekenregister te schorsen. Deze schorsing brengt mee dat de keuringsplicht van artikel 72 van Pro de WVW 1994 gedurende de periode van schorsing niet geldt (artikel 73, eerste lid, sub b, van de WVW 1994).
6. Op basis van de informatie in het dossier en in aanmerking genomen dat de gedraging niet wordt betwist, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er desondanks redenen zijn om te bepalen dat het bedrag van de sanctie moet worden verlaagd of op nihil moet worden gesteld.
7. Het hof stelt voorop dat de in hoge mate tariefmatige afdoening van gedragingen als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wahv meebrengt dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie en dat slechts bijzondere omstandigheden aanleiding kunnen geven om van het voor elke gedraging vastgestelde tarief af te wijken.
8. Naar het oordeel van het hof zijn de door de betrokkene opgegeven omstandigheden voor het niet tijdig keuren van het voertuig geen bijzondere omstandigheden zoals hiervoor bedoeld. Op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de keuringsplicht bestaat er een zorgplicht voor kentekenhouders om tijdig hun voertuig te laten keuren. In het geval men hiertoe niet wil of kan overgaan kan men de geldigheid van het kentekenbewijs laten schorsen, zodat het voertuig eventueel op een later moment ter keuring kan worden aangeboden. Hetgeen de betrokkene aanvoert, houdt niet in dat voornoemde zorgplicht niet op haar van toepassing was. Een onderlinge afspraak met haar ex-man die inhoudt dat laatstgenoemde de keuring van het voertuig zou regelen, ontheft de betrokkene niet van deze zorgplicht. Het niet naleven van deze afspraak door haar ex-man is daarom een omstandigheid waarvan de gevolgen voor haar rekening en risico komen.
9. Het hof ziet, gelet op het voorgaande, ook geen aanleiding om het sanctiebedrag te matigen. Dat sprake is van een vast beleid van kantonrechters hier in Nederland om in soortgelijke situaties tot matiging over te gaan, is niet gebleken en het hof is aan dergelijke uitspraken bovendien niet gebonden. De kantonrechter heeft juist beslist door het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond te verklaren.
10. In de beslissing van de kantonrechter valt te lezen dat de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene de kantonrechter geen aanleiding hebben gegeven om het sanctiebedrag te matigen. Hieruit blijkt dat de kantonrechter deze omstandigheden bij zijn oordeel heeft betrokken. Van een motiveringsgebrek is dan ook geen sprake.
11. De gemachtigde beklaagt zich ten slotte over de hoogte van de door de kantonrechter toegekende proceskostenvergoeding. Nu de kantonrechter de inleidende beschikking in stand heeft gelaten, kan, gelet op het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197, in het midden blijven of de kantonrechter de hoogte van de proceskostenvergoeding juist heeft vastgesteld. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
12. Het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep wordt, gelet op het hierboven genoemde arrest, afgewezen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.