Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerde 3],
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De vaststaande feiten
3.Het geschil en de beslissing in eerste aanleg
Primair:
4.De motivering van de beslissing in hoger beroep
“17 mei 2011: voorstel [appellant] vergoeding voor binnenhalen omzet te bepalen op 3% van de omzet.(…)”.Vervolgens wordt in de desbetreffende productie de 3% doorberekend voor het resultaat over 2010. Uit deze producties, in onderlinge samenhang, en de door [appellant] niet weersproken stelling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] dat er tussen de vennoten al lange tijd onvrede was over de onderlinge winstverdeling in verhouding tot ieders rol en aandeel in de vof, moet worden afgeleid dat kennelijk [appellant] een voorstel heeft gedaan om ieder van de vennoten een vergoeding van 3% toe te kennen voor het binnenhalen van omzet. Dat is vervolgens zo in de jaarstukken terecht gekomen. Ter zitting heeft [appellant] ontkend dat het een voorstel van hem betrof, maar hoe de hiervoor aangehaalde formulering in het verslag van [persoon x] terecht is gekomen heeft hij niet kunnen verklaren. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] na 17 mei 2011 voordat de jaarstukken over 2010 zijn opgesteld is teruggekomen op het in het verslag van 17 mei 2011 genoemde voorstel, dat door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is geaccepteerd. Daarmee staat volgens het hof vast dat tussen partijen een vooraf-beloning van 3% is overeengekomen. Het winstaandeel zoals dat is opgenomen in de vof-akte is verder ongewijzigd gebleven (45-45-10) evenals het rentepercentage van 7, zoals [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben gesteld en [appellant] niet heeft betwist.