De zaak betreft een geschil tussen een adviseur milieuzaken en een vennootschap met twee vennoten over de voorwaarden waaronder een eerder verleende reductie op facturen zou worden opgeheven. De vennootschap was betrokken bij bestuursrechtelijke procedures wegens overtreding van het bestemmingsplan. De adviseur had een reductie op zijn tarieven toegepast en wilde deze in 2016 alsnog in rekening brengen, stellende dat de voorwaarden voor opheffing waren vervuld.
Het hof oordeelt dat onvoldoende is komen vast te staan dat partijen overeenstemming hadden bereikt over de specifieke voorwaarden voor opheffing van de reductie. De voorwaarden waren gebaseerd op de verwachting dat bepaalde vergunningen of toestemmingen zouden worden verkregen, maar de uiteindelijke situatie van het bedrijfsterrein valt niet onder deze voorwaarden. De vordering tot opheffing van de reductie wordt daarom afgewezen.
Wel wordt een bedrag van €1.005,60 aan werkzaamheden uit 2011 en 2013 toegewezen, inclusief contractuele rente vanaf 19 januari 2016 en buitengerechtelijke incassokosten van €150. De vennootschap en haar vennoten worden veroordeeld tot betaling van deze bedragen aan de adviseur. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, behoudens de toegewezen posten, en veroordeelt de partijen in de proceskosten.