AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing aanspraak op klantenvergoeding bij agentuurovereenkomst medische hulpmiddelen
In deze civiele zaak stond de kwalificatie van de overeenkomst tussen [appellant] Sales en Sinomedik B.V. centraal, evenals de vraag of [appellant] aanspraak kon maken op een klantenvergoeding op grond van artikel 7:442 BWPro.
Het hof stelde vast dat de overeenkomst kwalificeert als een agentuurovereenkomst, waarbij [appellant] als handelsagent optreedt voor Sinomedik tegen een provisie op gerealiseerde omzet. Dit werd bevestigd op basis van de contractuele bepalingen en de feitelijke uitvoering.
Vervolgens oordeelde het hof dat [appellant] onvoldoende had bewezen dat hij klanten had aangebracht of bestaande overeenkomsten had uitgebreid die Sinomedik nog aanzienlijke voordelen opleverden. De door [appellant] overgelegde contracten betroffen orders onder bestaande raamovereenkomsten waarbij hij niet betrokken was. Ook werd onvoldoende onderbouwd dat de gevorderde klantenvergoeding billijk was.
Ten slotte wees het hof de vordering tot schadevergoeding wegens het tot stand brengen van een raamovereenkomst met GDEKK af, omdat artikel 7:442 BWPro geen zelfstandige grondslag voor schadevergoeding biedt en geen andere grondslag was aangevoerd.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde [appellant] in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering tot klantenvergoeding af wegens onvoldoende onderbouwing.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.235.541/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 6117015)
arrest van 5 november 2019
in de zaak van
[appellant] , h.o.d.n. [appellant] Sales,
wonende te [A] ,
appellant,
in eerste aanleg: eiser,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. E.T. van Dalen, kantoorhoudend te Groningen,
tegen
Sinomedik B.V.,
gevestigd te Groningen,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna: Sinomedik,
advocaat: mr. P.J. Jans, kantoorhoudend te Groningen.
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 21 mei 2019 hier over.
1.2
Het verdere verloop na het tussenarrest blijkt uit het proces-verbaal van de op
27 september 2019 gehouden comparitie van partijen.
1.3
Vervolgens hebben partijen arrest verzocht en heeft het hof arrest bepaald op de voorafgaand aan de comparitie overgelegde gedingstukken, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie.
2.De vaststaande feiten
2.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.2 tot en met 2.7 van het vonnis van 19 december 2017. Aangevuld met feiten die in hoger beroep eveneens vast staan, zijn de feiten als volgt.
2.2
[appellant] exploiteert een eenmanszaak onder de naam [appellant] Sales. De activiteiten van deze eenmanszaak bestaan volgens het overgelegde uittreksel uit het handelsregister (productie 2 bij conclusie van antwoord) uit “niet-gespecialiseerde handelsbemiddeling” en “agenturenhandel in ongeregelde goederen”.
2.3
Sinomedik voert een onderneming met als kernactiviteit de verkoop van medische hulpmiddelen aan de zakelijke markt.
2.4
Sinomedik had ten tijde van de samenwerking met [appellant] drie klanten: het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG), de Isala Klinieken en GDEKK, een Duitse coöperatieve organisatie. Het UMCG is sinds 2011 klant van Sinomedik, de Isala Klinieken zijn klant vanaf 2013. Begin 2016 is een raamwerkovereenkomst gesloten tussen GDEKK en Sinomedik.
2.5
Tussen [appellant] en Sinomedik hebben in de periode van 15 maart 2014 tot
15 september 2016 meerdere overeenkomsten bestaan. De laatste overeenkomst had betrekking op de periode van 15 maart 2016 tot 15 september 2016. In die overeenkomst staat onder meer:
“Overwegende dat:
a. Opdrachtgever (Hof: Sinomedik) werkzaam is op import en export van medische hulpmiddelen;
b. Opdrachtgever in het kader hiervan behoefte heeft aan verkoop, accountmanagement, marketing en serviceverlening;
c. Opdrachtnemer (Hof: [appellant] ) als zodanig in staat en bereid is deze werkzaamheden uit te voeren;
d. Partijen uitsluitend met elkaar wensen te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 e.v. BW (…)
1.1.
Opdrachtnemer verplicht zich voor de duur van de overeenkomst de navolgende werkzaamheden te verrichten: verkoop, accountmanagement, marketing en serviceverlening (…)
6.1.
Opdrachtgever betaalt Opdrachtnemer op basis van de gerealiseerde en gefactureerde omzet exclusief BTW. De vergoeding bedraagt 10% van de door Opdrachtnemer gerealiseerde en aangebrachte omzet bij Isala Klinieken, 1% van de gefactureerde en betaalde netto omzet van UMCG en 5% van de gefactureerde en betaalde omzet bij andere klanten dan Isala Klinieken en UMCG (…)”
2.6
Partijen hebben onderhandeld over een volgende overeenkomst maar deze is niet tot stand gekomen.
3.Het geschil, de beslissing in eerste aanleg en de vordering in hoger beroep
3.1
[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd:
1. te verklaren voor recht dat [appellant] recht heeft op de betaling van de overeengekomen provisies van de omzet die door Sinomedik in de periode van 2014 tot en met 2016 is gemaakt, en daarna nog zal worden gemaakt middels leveranties aan de door [appellant] verworven relaties waaronder maar niet uitdrukkelijk beperkt tot de firma GDEKK uit Duitsland;
2. Sinomedik te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis aan de raadsman van [appellant] de omzetgegevens te verschaffen over het jaar 2016 van de klanten van Sinomedik, waaronder maar niet beperkt tot GDEKK, die door [appellant] bij Sinomedik klant zijn geworden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat Sinomedik nalatig zal zijn aan de inhoud van dit gebod te voldoen;
3. Sinomedik te veroordelen om vanaf 1 januari 2017 driemaandelijkse omzetgegevens van de door [appellant] aangebrachte klanten te verstrekken aan [appellant] , waarop [appellant] zijn facturen aan Sinomedik kan richten op basis van die omzet;
4. Sinomedik te veroordelen in de (na)kosten van het geding.
3.2
In het vonnis van 21 juni 2017 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de kantonrechter omdat de overeenkomst tussen partijen gekwalificeerd moet worden als een agentuurovereenkomst in de zin van artikel 7:428 BWPro.
In het vonnis van 19 december 2017 heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen omdat [appellant] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij aanspraak kan maken op een klantenvergoeding op basis van artikel 7:442 BWPro.
3.3
[appellant] vordert na eiswijziging in hoger beroep de vernietiging van het vonnis van 19 december 2017 en
1. Sinomedik te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een bedrag van € 79.311,93, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de datum van de memorie van grieven tot de dag der algehele voldoening;
2. Sinomedik te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen een bedrag zoals het hof in goede justitie zal vernemen te behoren met betrekking tot de vergoeding voor de totstandkoming van de raamovereenkomst met GDEKK, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de datum van de memorie van grieven tot de dag der algehele voldoening;
3. Sinomedik te veroordelen in de (na)kosten van beide instanties.
3.4
[appellant] heeft voornoemde eiswijziging tijdig (bij memorie van grieven) gedaan en van bezwaren daartegen is niet gebleken. Het hof zal dan ook recht doen op de gewijzigde vorderingen.
4.De beoordeling van de grieven en de vordering
4.1
[appellant] heeft twee grieven tegen het vonnis van 19 december 2017 geformuleerd en beoogt daarmee het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.
Kwalificatie overeenkomst
4.2
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 71 lid 5 RvPro geen hogere voorziening open staat tegen het verwijzingsvonnis van 21 juni 2017. Het eindvonnis van
19 december 2017 borduurt echter voort op de in het verwijzingsvonnis opgenomen overwegingen en Sinomedik handhaaft in hoger beroep haar standpunt dat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet kwalificeert als een agentuurovereenkomst. Het hof zal daarom eerst beoordelen of de overeenkomst als een bijzondere vorm van opdracht kan worden aangemerkt, namelijk als een agentuurovereenkomst.
4.3
Volgens artikel 7:428 lid 1 BWPro is een agentuurovereenkomst een overeenkomst waarbij de ene partij, de principaal, aan de andere partij, de handelsagent, opdraagt, en deze zich verbindt, voor een bepaalde of onbepaalde tijd en tegen beloning bij de totstandkoming van overeenkomsten bemiddeling te verlenen, en deze eventueel op naam en voor rekening van de principaal te sluiten zonder aan deze ondergeschikt te zijn .Of sprake is van een agentuurovereenkomst, hangt niet af van hoe partijen dit beoordelen, maar uitsluitend van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden die de wet stelt, waarbij mede van belang is hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en de wijze waarop zij de overeenkomst feitelijk hebben uitgevoerd.
4.4
Uit e-mailcorrespondentie tussen partijen komt naar voren dat het de bedoeling is dat [appellant] optreedt als tussenpersoon van Sinomedik bij de totstandkoming van overeenkomsten in ruil voor een percentage van de bij de desbetreffende klant behaalde omzet. In overeenstemming hiermee vermeldt de tussen partijen gesloten overeenkomst
in de considerans dat Sinomedik werkzaam is op het gebied van im- en export van medische hulpmiddelen en dat zij in het kader hiervan behoefte heeft aan verkoop (waaronder Sinomedik naar eigen zeggen verstaat: het zoeken en aanbrengen van nieuwe klanten),
accountmanagement, marketing en serviceverlening en is in artikel 6 eenPro provisie vastgelegd die afhankelijk is van de door [appellant] gerealiseerde en aangebrachte omzet. Een en ander duidt op een agentuurovereenkomst.
Voorts heeft Sinomedik aangegeven dat [appellant] is betaald naar door hem zelf gerealiseerde en aangebrachte omzet bij de klanten van Sinomedik, zodat de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst in zoverre ook in overeenstemming is met de wettelijke definitie van de agentuurovereenkomst.
Dat van het zoeken en aanbrengen van nieuwe klanten en/of het tot stand brengen van nieuwe of andere overeenkomsten bij bestaande klanten door [appellant] niets terecht zou zijn gekomen, doet aan de juistheid van de kwalificatie van de rechtsverhouding van partijen als agentuurovereenkomst niet af. Het hof gaat dan ook evenals de kantonrechter uit van het bestaan van een agentuurovereenkomst tussen partijen.
Klantenvergoeding
4.5
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [appellant] aanspraak kan maken op een klantenvergoeding als bedoeld in artikel 7:442 BWPro.
4.6
Nu [appellant] aanspraak maakt op een klantenvergoeding dient hij, gelet op het bepaalde in artikel 7:442 BWPro, te stellen en bij betwisting te bewijzen dat (i) hij klanten heeft aangebracht of de overeenkomsten met bestaande klanten heeft uitgebreid en dat dit Sinomedik nog aanzienlijke voordelen oplevert en (ii) de betaling van de gevorderde vergoeding, gelet op alle omstandigheden, billijk is.
In het licht van de gemotiveerde betwisting door Sinomedik heeft [appellant] ook in hoger beroep onvoldoende aan die stelplicht voldaan. [appellant] heeft volstaan met de stelling dat hij in maart 2014 is aangetreden, dat hij de als bijlage 1 tot en met 6 bij de memorie van grieven gevoegde contracten met UMCG en Isala heeft binnengesleept en dat de omzet van Sinomedik na 2016 is verdubbeld. Volgens Sinomedik hebben de door [appellant] overgelegde contracten evenwel betrekking op orders en opdrachten van UMCG en Isala ter uitwerking van reeds eerder gesloten raamovereenkomsten, bij de totstandkoming waarvan [appellant] niet betrokken is geweest en/of waaraan geen verkoop-of marketinginspanning van [appellant] ten grondslag heeft gelegen. Daarnaast heeft Sinomedik erop gewezen dat zij te maken had met een dalende omzet wegens problemen die waren veroorzaakt door een controle van de inspectie voor de gezondheidszorg. Die problemen heeft Sinomedik zelf verholpen, zonder inzet of bijstand van [appellant] . [appellant] heeft een en ander niet weersproken en evenmin nadere gegevens verschaft of te verschaffen aangeboden, waaruit blijkt dat Sinomedik door activiteiten van [appellant] wel aanzienlijk voordeel heeft genoten.
Gelet hierop zal de gevorderde klantenvergoeding daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
4.7
[appellant] vordert tenslotte schadevergoeding wegens het tot stand brengen van de raamovereenkomst met GDEKK. Desgevraagd heeft [appellant] ter zitting aan het hof verklaard deze vordering te baseren op artikel 7:442 lid 1 BWPro. Anders dan [appellant] betoogt biedt artikel 7:442 BWPro echter geen zelfstandige grondslag voor een schadevergoeding. Nu [appellant] ook geen andere grondslag heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn vordering tot schadevergoeding, zal ook deze vordering van [appellant] worden afgewezen.
5.De slotsom
5.1
De grieven falen, zodat het vonnis van de kantonrechter te Groningen van
19 december 2017 zal worden bekrachtigd.
5.2
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Sinomedik zullen worden vastgesteld op:
- griffierecht € 726,-
- salaris advocaat € 3.918,- (2,0 punten x tarief IV € 1.959,-)
Totaal € 4.644,-
6.De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Groningen van 19 december 2017;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Sinomedik vastgesteld op € 726,- voor verschotten en op € 3.918,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. M. Willemse, mr. J.H. Kuiper en mr. P.S. Bakker en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op