ECLI:NL:GHARL:2019:9560

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
7 november 2019
Publicatiedatum
7 november 2019
Zaaknummer
WAHV 200.191.415
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbHoofdstuk 8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing officier van justitie inzake administratieve sanctie snelheidsovertreding

De betrokkene ging in hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen de officier van justitie ongegrond verklaarde inzake een administratieve sanctie wegens snelheidsovertreding binnen de bebouwde kom.

Het hof oordeelt dat de officier van justitie ten onrechte heeft afgezien van het horen van de betrokkene, terwijl deze daar nadrukkelijk om had verzocht in het administratief beroepschrift. Hierdoor vernietigt het hof de beslissing van de kantonrechter en verklaart het beroep tegen de officier van justitie gegrond.

Vervolgens beoordeelt het hof het beroep tegen de inleidende beschikking waarbij een boete van €92 is opgelegd voor een snelheidsovertreding van 11 km/h binnen de bebouwde kom. Het verweer dat de sanctie niet door een bevoegde opsporingsambtenaar is opgelegd wordt verworpen omdat de ambtenaar bevoegd was op grond van het geldende besluit buitengewoon opsporingsambtenaar.

Ook het verweer dat het voertuig niet op de locatie was wordt niet langer gehandhaafd nadat foto's van het voertuig met het juiste kenteken zijn overgelegd. Het hof verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond.

Ten slotte wijst het hof het verzoek om proceskostenvergoeding af omdat hoofdstuk 8 van de Awb is uitgesloten en artikel 8:88 Awb Pro niet van toepassing is op proceskostenvergoeding in deze procedure.

Uitkomst: Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt gegrond verklaard wegens schending hoorplicht, maar het beroep tegen de snelheidssanctie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

WAHV 200.191.415
7 november 2019
CJIB 188053851
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam
van 17 mei 2016
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [A] ,
voor wie als gemachtigde optreedt [B] ,
kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 6 oktober 2017, 16 juli 2018 en 6 mei 2019 zijn nog brieven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.
De advocaat-generaal heeft aanvullende informatie overgelegd.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen om hierop te reageren.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de officier van justitie de hoorplicht niet heeft geschonden. De kantonrechter heeft overwogen dat geen verzoek is gedaan om te worden gehoord. In het administratief beroepschrift is echter wel degelijk nadrukkelijk verzocht om te worden gehoord.
2. Het hof stelt vast dat het verzoek om te worden gehoord in administratief beroep op juiste wijze is gedaan en dat zich geen uitzonderingssituaties voordoen. Aldus heeft de officier van justitie ten onrechte van het horen afgezien. Dit brengt mee dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet in stand had mogen laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Gelet daarop behoeven de overige bezwaren van de gemachtigde tegen de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie geen bespreking meer.
3. Vervolgens zal het hof overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een administratieve sanctie van € 92,- is opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 11 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 4 maart 2015 om 11:11 uur op de Laan der Verenigde Naties, ter hoogte van Ov-mast 354 te Dordrecht met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
4. De gemachtigde voert aan dat de sanctie niet door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar is opgelegd. Blijkens de akte van beëdiging van de betrokken ambtenaar, waarvan de gemachtigde eerder in de procedure een afschrift heeft overgelegd, wordt de titel van opsporingsbevoegdheid ontleend aan de categoriale beschikking "Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar CJIB 2009" van 23 april 2009. Deze categoriale beschikking is echter met ingang van 1 september 2013 vervallen. Niet gebleken is dat aan de betrokken ambtenaar een nieuwe akte van beëdiging is uitgereikt.
5. Uit het door de gemachtigde overgelegde afschrift van de akte van beëdiging blijkt dat de betreffende verbalisant is beëdigd tot buitengewoon opsporingsambtenaar en dat hij beschikt over een geldige titel van opsporingsbevoegdheid, ontleend aan de door of namens de Minister van Justitie voor het onderhavige domein en diensteenheid uitgevaardigde categoriale beschikking "Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar CJIB 2009" van
23 april 2009, nr. 5594279/09. Dit besluit is opgevolgd door het ten tijde van de gedraging geldende "Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar CJIB 2013" d.d. 1 augustus 2013 (Staatscourant 8 augustus 2013, nr. 22371). Artikel 7 van Pro het laatstgenoemde besluit bepaalt dat de op naam gestelde akten van beëdiging, afgegeven mede op basis van het eerstgenoemde besluit, worden geacht mede te zijn afgegeven op basis van het laatstgenoemde besluit. De ambtenaar was dus bevoegd tot het opleggen van de onderhavige sanctie. Het verweer van de gemachtigde wordt dan ook verworpen.
6. Eerder in de procedure heeft de gemachtigde aangevoerd dat het voertuig van de betrokkene niet op de genoemde datum op de betreffende locatie is geweest. Het kenteken van het gemeten voertuig is waarschijnlijk niet goed waargenomen. Het is de betrokkene bekend dat het kenteken [00-YX-YY] in de afleesapparatuur van het CJIB vaak met het kenteken van het voertuig van de betrokkene, te weten [00-YY-YY] , wordt verward. Blijkbaar kan het systeem de "P" niet goed van de "F" onderscheiden. De betrokkene krijgt vaker sancties opgelegd die niet correct zijn. Nadat in hoger beroep de foto's van de gedraging zijn overgelegd, waarop een voertuig met kenteken [00-YY-YY] is te zien, heeft de gemachtigde niet meer gereageerd. Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat de gemachtigde zijn verweer op dit punt niet langer handhaaft.
7. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaren.
8. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197). Dit betekent dat het verzoek om proceskostenvergoeding moet worden afgewezen. In hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd met betrekking tot dit arrest ziet het hof geen aanleiding om terug te komen op het oordeel zoals in het arrest verwoord. De gemachtigde heeft verder betoogd dat het hof met toepassing van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een proceskostenvergoeding dient toe te kennen. Artikel 8:88 Awb Pro heeft geen betrekking op de vergoeding van proceskosten. Bovendien is hoofdstuk 8 van de Awb in het kader van de onderhavige procedure uitgesloten, terwijl het hof geen aanleiding ziet voor analoge toepassing van artikel 8:88 Awb Pro.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.