ECLI:NL:GHARL:2019:9723

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 november 2019
Publicatiedatum
12 november 2019
Zaaknummer
Wahv 200.235.857/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, tweede lid WahvArt. 6 Politiewet 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid politieambtenaar en rechtmatigheid snelheidsmeting op autosnelweg

De betrokkene werd een administratieve sanctie van €228 opgelegd wegens het overschrijden van de maximumsnelheid met 26 km/h op de Rijksweg A13 te Delft op 28 december 2016. Hij betwistte de snelheidsovertreding en voerde aan dat de meting onbetrouwbaar was vanwege mistige weersomstandigheden, de aard van de dienstmotor en de bevoegdheid van de ambtenaar.

Het hof overwoog dat de snelheidsmeting door een daartoe opgeleide en bevoegde politieambtenaar op correcte wijze was uitgevoerd, inclusief kalibratie en wettelijke correctie. De mistige omstandigheden in Rotterdam op die dag konden niet worden toegerekend aan de locatie van de overtreding. Ook is een motor een dienstvoertuig en mag een ambtenaar zelfstandig een snelheidsovertreding constateren.

Verder bevestigde het hof dat een politieambtenaar op grond van de Politiewet 2012 bevoegd is zijn taak in het hele land uit te oefenen en dat het optreden buiten het gebied van aanstelling, hoewel in principe te vermijden, de rechtmatigheid van het optreden niet aantast.

De verweren van de betrokkene faalden en het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter die het beroep van de betrokkene ongegrond had verklaard.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.235.857/01
CJIB-nummer
: 204024918
Uitspraak d.d.
: 12 november 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 1 februari 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 228,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 26 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 28 december 2016 om 08:40 uur op de Rijksweg A13 te Delft met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
2. De essentie van het verweer luidt dat de gedraging wordt betwist. De aangegeven snelheid kan hij niet hebben gereden. De ambtenaar heeft verklaard over een afstand van 1000 meter een constante snelheid van 135 km/h te hebben afgelezen. Het is volgens de betrokkene niet aannemelijk dat een persoon (alleen) op zijn dienstmotor, in de vroege ochtend en bij de winterse omstandigheden dit bij deze snelheid heeft kunnen constateren. Onder deze omstandigheden is het niet mogelijk dat hij zijn snelheidsmeter in de gaten heeft gehouden, een meetafstand van precies 1000 meter in acht heeft genomen en ook nog eens een tussenafstand van precies 150 meter in acht heeft genomen. Daarnaast heeft de ambtenaar ook nog kunnen constateren dat de afstand tussen de betrokkene en hem gelijk of vrijwel gelijk bleef. Hij wijst verder nog op een weerrapport waaruit blijkt dat het die ochtend mistig was. Het minimum opgetreden zicht was tussen de 0-100 meter. Hij wijst er ook nog op dat in de Aanwijzing snelheidsoverschrijding en snelheidsbegrenzers geen rekening wordt gehouden met een dienstmotor. Er wordt alleen gesproken over een dienstvoertuig. Hiermee wordt gedoeld op een auto, aldus de betrokkene. Tot slot stelt hij nog dat de ambtenaar niet bevoegd zou zijn. De enkele stelling dat hij in Nederland en indien noodzakelijk daarbuiten bevoegd is, is onvoldoende, zo stelt hij.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, zakelijk weergegeven, onder meer in dat de ambtenaar heeft geconstateerd dat het voertuig met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats de maximum snelheid met 26 km/h heeft overschreden.
5. Verder bevat het dossier een op 3 december 2017 op ambtsbelofte opgemaakt aanvullend proces-verbaal waarin de ambtenaar, een hoofdagent van politie, - onder meer - verklaart:
‘’Voor de afstanden verwijs ik u naar mijn kennisgeving van beschikking. De snelheidsmeting van betrokkene is op voorgeschreven wijze vastgesteld. Tevens is in de kennisgeving van beschikking rekening gehouden met de kalibratie van de snelheidsmeter en de wettelijke correctie van 3%. (…)’’
6. Het hof ziet geen reden te twijfelen dat de onderhavige gedraging is verricht en overweegt daartoe als volgt. Het hof stelt vast dat de gedraging is verricht op een autosnelweg. Het betreft hier, anders dan in een bebouwde kom, een conflictvrije weg. Daarnaast is het hof ambtshalve bekend dat ambtenaren verplicht zijn om een rijvaardigheidstraining te volgen. Zij worden opgeleid om bij hoge snelheden een achtervolging te doen en daarbij alle variabelen in de gaten te houden. Het hof twijfelt, anders dan de betrokkene, dan ook niet aan de vakkundigheid van de ambtenaar die de meting heeft verricht. De betrokkene stelt daarnaast voor het eerst in hoger beroep dat de ambtenaar nooit alle variabelen in de gaten heeft kunnen houden omdat het zicht op die dag minimaal was. Bij zijn hoger beroepschrift heeft hij ter staving van zijn standpunt een weerrapport overgelegd. Dit stuk overtuigt het hof echter niet. Uit het stuk blijkt slechts dat het minimale zicht op die dag ín Rotterdam tussen de 0 en 100 meter was. Het stuk geeft dus niet aan hoe het zicht was op de pleeglocatie. De stelling dat een gedraging als deze niet middels een dienstmotor mag worden geconstateerd, faalt ook. Een motor is een voertuig en valt dus ook onder de definitie van ‘’dienstvoertuig’’. Voor zover hij nog heeft betoogd dat de ambtenaar niet in zijn eentje de gedraging heeft mogen constateren, overweegt het hof dat dit geoorloofd is. Geen rechtsregel verplicht dat een snelheidsovertreding door meerdere ambtenaren geconstateerd dient te worden.
7. Ten aanzien van het laatste punt, de bevoegdheid van de ambtenaar, overweegt het hof dat op grond van artikel 6, eerste lid, van de Politiewet 2012 een politieambtenaar bevoegd is zijn taak uit te oefenen in het gehele land. Het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van de Politiewet 2012, inhoudende dat een politieambtenaar, hoewel bevoegd in het hele land, zich onthoudt van optreden buiten zijn gebied van aanstelling, tenzij ingevolge regels, gesteld bij of krachtens de wet, dan wel in opdracht of met toestemming van het bevoegde gezag over de politie. Artikel 6, tweede lid, Politiewet 2012, behelst een instructienorm. Dat brengt mee dat wanneer een politieambtenaar in strijd met die norm buiten zijn gebied van aanstelling zou optreden, dit geen afbreuk doet aan de rechtmatigheid van dat optreden. Aldus beperkt artikel 6, tweede lid, Politiewet 2012 niet de aan de politieambtenaar toegekende bevoegdheid zijn taak in het hele land uit te oefenen (vgl. Hof Leeuwarden 27 januari te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2005:AS8920).
8. De verweren slagen niet. Voor zover de betrokkene nog heeft betoogd dat de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk zijn gemotiveerd, overweegt het hof nog dat zij niet gehouden zijn om op alle aangevoerde argumenten expliciet in te gaan. Uit de motivering van de beslissingen blijkt voldoende dat de door de betrokkene aangedragen gronden van het beroep in de beslissingen zijn betrokken.
9. De kantonrechter heeft een juiste beslissing gegeven. Het hof zal deze bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.