Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De grootmoeder heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot het vaststellen van een omgangsregeling met haar kleinkind, een minderjarige geboren in 2011. De rechtbank verklaarde haar niet-ontvankelijk omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij een nauwe persoonlijke betrekking met het kind had.
In hoger beroep heeft de grootmoeder aangevoerd dat er sprake was van een nauwe familierelatie, met regelmatig contact en bezoeken, inclusief vakanties en feestdagen. Zij overlegde foto’s ter onderbouwing van het contact in de eerste levensjaren van het kind. Het hof heeft echter geoordeeld dat dit onvoldoende is om te spreken van een nauwe persoonlijke betrekking zoals bedoeld in artikel 1:377a lid 1 BW en artikel 8 EVRM Pro. Er was slechts zevenmaal contact in vier jaar en sinds 2015 geen contact meer.
Daarom heeft het hof de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd en de grootmoeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof verklaart de grootmoeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot omgangsregeling wegens het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking.