Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2004 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en hebben drie minderjarige kinderen. De man verzocht in eerste aanleg om echtscheiding, welke door de rechtbank op 6 maart 2019 werd uitgesproken. In hoger beroep komt de man terug op zijn verzoek vanwege nadelige gevolgen van de echtscheiding, met name op het gebied van huisvesting voor hemzelf en de kinderen.
Het hof stelt vast dat zowel de man als de vrouw in eerste aanleg de echtscheiding hebben verzocht en dat de rechtbank dit verzoek heeft toegewezen. Het is niet mogelijk om in hoger beroep terug te komen op een reeds toegewezen verzoek zonder bijzondere omstandigheden, welke hier niet zijn aangetoond. De duurzame ontwrichting van het huwelijk wordt niet betwist.
De man wordt veroordeeld in de proceskosten omdat hij de procedure nodeloos heeft aangespannen of voortgezet. De kosten aan de zijde van de vrouw worden vastgesteld op €324 aan griffierecht en €2.148 aan advocaatkosten. Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de echtscheiding en wijst het verzoek van de man om terug te komen op de echtscheiding af, met veroordeling van de man in de proceskosten.