Uitspraak
[verdachte] ,
Het hoger beroep
Onderzoek van de zaak
mr. P. Keijzer, naar voren is gebracht.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verdachte werd primair ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 7 augustus 2018 opzettelijk twaalf valse bankbiljetten van 50 euro uitgaf, terwijl hij wist dat deze vals waren. Subsidiair werd hem ten laste gelegd dat hij opzettelijk valse of vervalste bankbiljetten uitgaf zonder dat kennis van valsheid bewezen kon worden.
De rechtbank Noord-Nederland veroordeelde verdachte tot een werkstraf van veertig uur subsidiair twintig dagen jeugddetentie en kende de schadevergoedingsmaatregel toe aan de benadeelde partij. Het hof vernietigde dit vonnis omdat het tot een andere bewijsbeslissing kwam.
Na onderzoek van het bewijs, waaronder de verklaring van verdachte in eerste aanleg, oordeelde het hof dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat verdachte wist dat de biljetten vals waren bij ontvangst of uitgifte. De verklaring van verdachte dat hij "wel door had dat het niet helemaal zuivere koffie was" werd niet voldoende geacht voor opzet op het uitgeven van vals geld. Het hof sprak verdachte daarom vrij van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor opzettelijk uitgeven van vals geld.