ECLI:NL:GHARL:2019:9881

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 november 2019
Publicatiedatum
19 november 2019
Zaaknummer
Wahv 200.220.269/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1.2 RVArt. 5.18.6 RVArt. 3 WahvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie voor onvoldoende afgedekte losse lading op voertuig

De betrokkene werd gesanctioneerd wegens het rijden met een voertuig waarbij de losse lading, gehakselde mais, niet deugdelijk was afgedekt, wat gevaar of hinder kan veroorzaken. De overtreding vond plaats op 10 oktober 2014 op de Veerweg in Maren-Kessel. De betrokkene voerde aan dat er geen gevaarlijke situatie was ontstaan omdat de mais groen, vochtig was en de snelheid laag, en dat hij na staandehouding had gecontroleerd of er mais was verloren.

Het hof oordeelde dat de verklaring van de ambtenaar, die constateerde dat er mais was afgedwarreld, voldoende bewijs vormt dat de overtreding heeft plaatsgevonden. Het feit dat de betrokkene geen mais had teruggevonden en dat er geen direct gevaar was ontstaan, doet hieraan niet af. De overtreding betreft een verbod op rijden met losse lading die gevaar of hinder kan veroorzaken volgens artikel 5.18.6 RV.

Verder werd aangevoerd dat de procedure te lang duurde, maar het hof stelde vast dat de redelijke termijn in hoger beroep was overschreden zonder dat dit tot matiging van de sanctie leidt omdat de boete onder de € 1.000,- blijft. Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter en verklaarde het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de sanctie voor onvoldoende afgedekte losse lading wordt ongegrond verklaard en de sanctie blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.220.269/01
CJIB-nummer
: 185168343
Uitspraak d.d.
: 19 november 2019
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 4 juli 2016, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is [B] , wonende te [C] .

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 27 augustus 2019 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Op 30 september 2019 heeft het hof een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen waarin hij aangeeft geen gebruik te willen maken van de gelegenheid te worden gehoord op een zitting van het hof.
Op 1 oktober 2019 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

Beoordeling

1. Gelet op wat is overwogen in het tussenarrest, zal de beslissing van de kantonrechter worden vernietigd. Vervolgens zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie worden beoordeeld.
2. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 370,- voor: “met een voertuig rijden, terwijl de losse lading die mogelijk van het voertuig kan vallen niet deugdelijk is afgedekt”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 oktober 2014 om 11.15 uur op de Veerweg in Maren-Kessel.
3. Tegen de beslissing van de officier van justitie is aangevoerd dat de betrokkene na de staandehouding terug is gegaan om te kijken of hij gehakselde mais was verloren. Hij heeft niks aangetroffen. Het was nagenoeg windstil en de vervoerde gehakselde mais was nog groen en vochtig. De mais was geladen onder de borden van de aanhangwagen. Onder deze omstandigheden en een lage snelheid waait er geen mais van de kipper. Er was dan ook geen sprake van een onmiddellijk gevaarlijke situatie. Het door de verbalisant aangehaalde artikel 5.18.6. van de Regeling Voertuigen (hierna: RV) is van voor de wijziging en daarom onjuist. In de aanvullende processen-verbaal van de verbalisanten die de betrokkene en diens collega’s sancties hebben opgelegd, stonden tegenstrijdigheden omdat de ene verbalisant had geconstateerd dat er mais van een aanhangwagen was gewaaid terwijl een andere dat niet had gezien.
4. De betreffende gedraging met feitcode P061 is een overtreding van artikel 5.1.2 in samenhang met het destijds geldende artikel 5.18.6, tweede lid, van de RV.
5. Artikel 5.1.2 RV - voor zover hier van belang - luidt:
“Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden (…), indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.”
6. Artikel 5.18.6 RV, tweede lid, luidt:
“Losse lading die naar haar aard niet op of aan het voertuig bevestigd kan worden, moet deugdelijk zijn afgedekt indien gevaar of hinder ontstaat of kan ontstaan als gevolg van afvallende of wegwaaiende lading.”
7. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
8. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, waarin de ambtenaar onder meer verklaart:
“Op vrijdag 10 oktober 2014, omstreeks 11.15 uur bevond ik mij in uniform gekleed en met verkeerscontrole belast op de veerweg ter hoogte van de pond te Maren-Kessel.
Hier zag ik een landbouwvoertuig rijden welke door betrokkene werd bestuurd. Ik zag dat het landbouwvoertuig een sillagewagen voorttrok. Ik zag dat de sillagewagen beladen was met gehakselde mais. Ik zag dat de sillagewagen niet afgedekt was. Hierop heb ik de betrokkene een stopteken gegeven waaraan hij voldeed. Ik zag dat zowel de sillagewagen als het trekkende landbouwvoertuig vol gehakselde mais lag welke eraf dwarrelde door de wind.”
9. Verder heeft de ambtenaar de overtreden bepaling in het aanvullend proces-verbaal opgenomen. De tekst daarvan komt overeen met de tekst onder 6. Het verweer dat het door de ambtenaar aangehaalde artikel 5.18.6. van de Regeling Voertuigen van voor de wijziging is en daarom onjuist is, mist dan ook feitelijke grondslag.
10. Wat de gemachtigde heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Naar oordeel van het hof kan dan ook worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Uit de gegevens in het dossier volgt dat de betrokkene met een – naar het hof begrijpt – kipper reed die gevuld was met gehakselde mais, terwijl die lading niet was afgedekt. Dit is een lading die weg kan waaien. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat er daadwerkelijk mais is afgedwarreld. Dit kan gevaar of hinder opleveren voor overige weggebruikers. Dat de betrokkene geen mais heeft teruggevonden op de afgelegde route en er geen gevaarlijke situatie zou zijn ontstaan doet hier niet aan af, omdat op zichzelf al de situatie waarbij hinder of gevaar
kanontstaan verboden is.
11. In hoger beroep heeft de gemachtigde verder nog aangevoerd teleurgesteld te zijn over het verloop van de procedure. De zaak loopt al sinds oktober 2014 en justitie heeft fouten gemaakt, terwijl de gemachtigde korte termijnen had om te reageren.
12. De omstandigheden die de gemachtigde noemt, zijn in beginsel geen omstandigheden die ertoe leiden dat de inleidende beschikking wordt vernietigd of het bedrag van de sanctie wordt gematigd.
Het hof heeft in navolging van bestendige rechtspraak van de hoogste bestuursrechters bij arrest van 3 maart 2017 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:GHARL:2017:1777) geoordeeld dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting wanneer de procedure in eerste aanleg – inclusief het administratief beroep – langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat een boete zal worden opgelegd. Ook voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting ten hoogste twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld. Bestraffende sancties hoger dan € 1.000,- worden bij schending van de redelijke termijn in beginsel gematigd. Bij sancties onder de € 1.000,-, zoals de onderhavige, wordt volstaan met de vaststelling dat artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Tot gegrondverklaring van het beroep kan dit niet leiden.
13. Het hof stelt vast dat in deze zaak de redelijke termijn van berechting in hoger beroep is overschreden. Onder verwijzing naar het hiervoor overwogene wordt met die vaststelling volstaan.
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaren.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.