ECLI:NL:GHARL:2020:10130

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 december 2020
Publicatiedatum
4 december 2020
Zaaknummer
Wahv 200.244.947/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet tijdig indienen beroepsgronden in bestuursstrafzaak

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). Het beroepschrift bevatte echter geen beroepsgronden, wat verplicht is volgens artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De griffier wees de betrokkene hierop en gaf een termijn van vier weken om alsnog gronden in te dienen.

De betrokkene verzocht na het verstrijken van deze termijn om uitstel en om een kopie van het procesdossier, maar dit verzoek werd afgewezen. De gronden werden uiteindelijk te laat ingediend. Omdat bij het instellen van het hoger beroep niet om het dossier was gevraagd, mocht worden aangenomen dat de gemachtigde in staat was om zonder dossier de gronden te formuleren.

Het hof oordeelde dat het te laat indienen van de gronden niet verontschuldigbaar was en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken op een openbare zitting.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van beroepsgronden en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.244.947/01
CJIB-nummer
: 209952803
Uitspraak d.d.
: 4 december 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 5 juli 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J. van Gemert, kantoorhoudende te Nijmegen.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene heeft bij faxbericht van 24 augustus 2018 op nader aan te voeren gronden hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hij verzoekt hem daarvoor een termijn te geven. Dit beroepschrift bevat geen beroepsgronden. Dat is wel verplicht (artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht). De griffier van het hof heeft de betrokkene hier in een brief van 4 oktober 2018 op gewezen en de gelegenheid gegeven om binnen een termijn van vier weken gronden in te dienen. Daarbij is gemeld dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als geen gronden worden ingediend.
2. De termijn voor herstel van het verzuim eindigde op 1 november 2018. Op die datum is een faxbericht van de gemachtigde ontvangen waarin hij verzoekt om een nader uitstel van vier weken. Ook verzoekt hij daarin voor het eerst om een afschrift van het procesdossier. Bij brief van
2 november 2018 heeft de griffier van het hof de gemachtigde meegedeeld dat geen nadere termijn voor het indienen van gronden wordt gegeven. Als bijlage is een kopie van het dossier meegezonden. De gemachtigde van de betrokkene heeft bij faxbericht van 7 november 2018 de gronden van het hoger beroep ingediend.
3. De gemachtigde van de betrokkene heeft niet binnen de gestelde termijn alsnog gronden ingediend. In het hoger beroepschrift is bij het vragen van een termijn voor het indienen van de gronden van het beroep niet verzocht om toezending van het dossier. Er mocht daarom ervan worden uitgegaan dat dat voor de gemachtigde niet nodig was om de gronden van het hoger beroep te kunnen formuleren. Gelet daarop is er geen reden om het te laat indienen van de gronden van het beroep verschoonbaar te achten. Het hof zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.