Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2020:1021

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 februari 2020
Publicatiedatum
10 februari 2020
Zaaknummer
200.252.011/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:207 lid 1 aanhef en onder b BWArt. 1:5 lid 7 BWArt. 289 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke vaststelling vaderschap overleden persoon en kostenverdeling

In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vaderschap van [G] ten aanzien van [verweerder], een overleden persoon, vastgesteld. Dit volgde op een verwantschapsonderzoek uitgevoerd door Verilabs, waaruit bleek dat [D] niet de biologische vader kon zijn. Zowel de moeder als [verweerder] verenigden zich met de conclusie dat [G] de biologische vader is.

De moeder had drie grieven tegen de eerdere beschikking, waarvan twee gericht waren op het vaderschap en één op de achternaamkeuze van [verweerder]. Het hof verwierp deze grieven omdat de deskundige [D] had uitgesloten en er geen andere mogelijke vaders waren genoemd. Daarnaast was er geen bewijs dat de achternaamkeuze niet overeenkwam met de wens van [verweerder].

Wat betreft de proceskosten besloot het hof deze te compenseren, zodat ieder zijn eigen kosten draagt. De kosten van de deskundige Verilabs blijven ten laste van de Rijkskas. Verzoeken van [verweerder] om de moeder in de kosten te veroordelen werden afgewezen, mede gelet op de aard van de procedure en persoonlijke omstandigheden van de moeder.

Het hof bekrachtigde daarmee de beschikking van de rechtbank Overijssel van 24 september 2018 voor zover het vaderschap en de achternaamkeuze betreft, en wees verdergaande verzoeken af.

Uitkomst: Het hof stelt het vaderschap van [G] vast en compenseert de proceskosten, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt en de deskundigenkosten ten laste van de Rijkskas blijven.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.252.011/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/206879 / FA RK 17-2126)
beschikking van 4 februari 2020
inzake
[verzoekster],
verblijvende in de PI [A] te [B] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. I.M. Verhaar te Zwolle,
en
[verweerder],
wonende te [C] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: [verweerder] ,
advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse te Deventer.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[D],
wonende te [C] ,
verder te noemen: [D] ,
en als informant:
de Staat der Nederlanden, Hoofd-Advocaat-Generaal van het ressort Arnhem-Leeuwarden,
kantoorhoudend te Leeuwarden.

1.Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Voor het verloop van het geding tot 3 oktober 2019 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum, waarin kort gezegd een verwantschapsonderzoek is gelast met benoeming van Verilabs tot deskundige.
1.2
Verilabs heeft op 6 december 2019 rapport uitgebracht, ingekomen bij het hof op
11 december 2019, dat door het hof in afschrift naar de belanghebbenden is gestuurd met gelegenheid voor reactie.
1.3
Het hof heeft kennisgenomen van de schriftelijke reacties van respectievelijk de advocaat van [verweerder] van 20 december 2019 en van de advocaat van de moeder van
30 december 2019.
1.4
Het hof acht zich nu voldoende geïnformeerd voor het nemen van de beslissing.

2.De motivering van de beslissing

2.1
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in zijn tussenbeschikking van
3 oktober 2019 voor zover hierna niet anders vermeld. In het bijzonder verwijst het hof voor een beschrijving van de feiten en achtergronden van de zaak, het geschil en het juridisch kader naar rechtsoverwegingen 3.1 t/m 5.4 in de tussenbeschikking.
2.2
Verilabs heeft in het voormelde rapport van 6 december 2019, ondertekend door
dr. [E] en [F] , verslag gedaan van het verwantschapsonderzoek
(op basis van DNA-materiaal van de moeder, [D] en [verweerder] ) en de bevindingen. Kort gezegd heeft Verilabs geconcludeerd dat [D] uitgesloten kan worden als biologische vader van [verweerder] .
2.3
In haar reactie op het rapport van de deskundige heeft de moeder onder meer opgemerkt dat er volgens haar twee mogelijkheden waren, waarvan een nu door de deskundige is uitgesloten, zodat ervan uitgegaan kan worden dat [G] de biologische vader is van [verweerder] . Laatstgenoemde heeft zich in zijn reactie op het rapport van de deskundige met die conclusie verenigd.
2.4
Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat [G] de biologische vader van [verweerder] is. Geen van betrokkenen heeft in dit verband een ander dan [G] of [D] als mogelijke vader genoemd en de deskundige heeft [D] uitgesloten. Mede gelet op de verklaringen van betrokkenen omtrent de relatie tussen de moeder en [G] ten tijde van de verwekking van [verweerder] , acht het hof voorts voldoende gebleken dat [verweerder] op natuurlijke wijze is verwekt. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen voor zover daarin het vaderschap van [G] ten aanzien van [verweerder] is vastgesteld. Voor gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van een persoon is in dit verband niet meer vereist dan dat deze de verwekker is (artikel 1:207 lid 1 aanhef Pro en onder b BW). De grieven 1 en 2 van de moeder treffen daarom geen doel.
2.5
De derde en laatste grief van de moeder is gericht tegen de in het dictum van de bestreden beschikking - op de voet van artikel 1:5 lid 7 BW Pro - opgenomen verklaring van [verweerder] omtrent zijn achternaam. Deze grief faalt reeds omdat niet is gesteld of gebleken dat het desbetreffende onderdeel van het dictum niet overeenkomstig de verklaring en de wens van [verweerder] in deze is. Bovendien heeft de grief blijkens de toelichting daarop een afhankelijk karakter, zodat de grief ook om die reden het lot dient te volgen van de eerste twee grieven.
2.6
Bij gebrek aan belang kan hier in het midden blijven of de rechtbank al dan niet terecht tot intrekking van de opdracht aan Verilabs heeft besloten, nu immers in hoger beroep alsnog een deskundigenonderzoek heeft plaatsgevonden. Wel kan worden vastgesteld dat het oordeel van de rechtbank in de bestreden beschikking over de relevante feiten, ten aanzien waarvan haar een zekere beoordelingsvrijheid toekomt, in hoger beroep stand houdt.
2.7
Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen op het punt van de vaststelling van het vaderschap van [G] ten aanzien van [verweerder] en de geslachtsnaamkeuze.
De proceskosten en kosten van de deskundige2.8 In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de proceskosten gecompenseerd, zodat de moeder en [verweerder] ieder de eigen kosten van het geding in eerste aanleg dragen. Daarbij is [verweerder] veroordeeld tot betaling van de door Verilabs gemaakte bezoek- en administratiekosten die door de rechtbank zijn bepaald op € 110,- inclusief btw.
2.9
[verweerder] heeft verzocht de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen dat de moeder alsnog in de kosten van beide instanties wordt veroordeeld (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim). In de brief van 20 december 2019 is namens [verweerder] tevens verzocht de moeder te veroordelen in de kosten van de deskundige. De moeder heeft deze verzoeken bestreden en het hof verzocht die af te wijzen. Zij heeft daartoe onder meer gewezen op de aard van de procedure en haar persoonlijke situatie.
2.1
Voor verzoekschriftprocedures is, met betrekking tot de proceskosten, bepaald dat de eindbeschikking tevens een veroordeling in de proceskosten kan inhouden (artikel 289 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 362 Rv Pro). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het aan het inzicht van de rechter die over de feiten oordeelt is overgelaten of hij in het gegeven geval aanleiding vindt een veroordeling in de proceskosten uit te spreken.
2.11
In procedures die zaken van personen- en familierecht betreffen, worden in het algemeen de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt. De rechter is echter niet tot compensatie verplicht. Hij kan onder meer, ook ambtshalve en dus zonder een daartoe strekkend verzoek, een partij veroordelen in de proceskosten van de wederpartij als de in het ongelijk gestelde partij of als de procedure nodeloos is aangespannen of voortgezet. De rechter is daarbij niet gehouden aan het liquidatietarief en hoeft zich evenmin te laten leiden door een mogelijk op toevoeging procederen door één of beide partijen.
2.12
Alles afwegende acht het hof onvoldoende termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. Het hof zal daarom de proceskosten aldus compenseren dat ieder de eigen kosten van het geding draagt. De kosten van de deskundige zullen ten laste blijven van 's Rijks kas.

3.De slotsom

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

4.De beslissing

Het gerechtshof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van
24 september 2018 voor zover aan dit hoger beroep onderworpen;
compenseert de proceskosten aldus dat de moeder en [verweerder] voornoemd ieder de eigen kosten van het geding dragen;
bepaalt dat de kosten van de deskundige ten laste van 's Rijks kas blijven;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, J.D.S.L. Bosch en J.G. Knot, bijgestaan door mr. A.J.Th. Harkema als griffier en is op 4 februari 2020 in het openbaar uitgesproken.