Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mishandeling na een verkeersruzie op 25 augustus 2017 waarbij hij het slachtoffer met een gebalde vuist in het gezicht sloeg en schopte terwijl het slachtoffer op de grond lag. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter om proceseconomische redenen en deed opnieuw recht in hoger beroep.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Verdachte had geen respect voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, die hem terecht op zijn gedrag aansprak. Verdachte had eerder al een onherroepelijke veroordeling voor mishandeling op zijn naam staan.
Hoewel de raadsman pleitte voor een taakstraf in plaats van een gevangenisstraf, oordeelde het hof dat gezien de ernst van het feit en de eerdere veroordeling een gevangenisstraf passend was. De straf werd vastgesteld op drie weken waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Verdachte heeft sinds het incident geen nieuwe strafbare feiten gepleegd en heeft per 1 januari 2021 een baan.
Het hof sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen en legde de straf op conform de wettelijke bepalingen die golden ten tijde van het feit. Het vonnis werd ter openbare terechtzitting uitgesproken op 11 december 2020.