Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2020:10363

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 december 2020
Publicatiedatum
14 december 2020
Zaaknummer
21-001491-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22b SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mishandeling na verkeersruzie met voorwaardelijke gevangenisstraf

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor mishandeling na een verkeersruzie op 25 augustus 2017 waarbij hij het slachtoffer met een gebalde vuist in het gezicht sloeg en schopte terwijl het slachtoffer op de grond lag. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter om proceseconomische redenen en deed opnieuw recht in hoger beroep.

Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. Verdachte had geen respect voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, die hem terecht op zijn gedrag aansprak. Verdachte had eerder al een onherroepelijke veroordeling voor mishandeling op zijn naam staan.

Hoewel de raadsman pleitte voor een taakstraf in plaats van een gevangenisstraf, oordeelde het hof dat gezien de ernst van het feit en de eerdere veroordeling een gevangenisstraf passend was. De straf werd vastgesteld op drie weken waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Verdachte heeft sinds het incident geen nieuwe strafbare feiten gepleegd en heeft per 1 januari 2021 een baan.

Het hof sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen en legde de straf op conform de wettelijke bepalingen die golden ten tijde van het feit. Het vonnis werd ter openbare terechtzitting uitgesproken op 11 december 2020.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001491-19
Uitspraak d.d.: 11 december 2020
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 7 maart 2019 met parketnummer 18-109402-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. W. Schoo, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 25 augustus 2017, te [plaats1] , gemeente [gemeente]
[benadeelde partij] heeft mishandeld door
- ( met gebalde vuist) te slaan en/of stompen op het gezicht, althans het lichaam en/of
- te schoppen en/of trappen tegen het lichaam (terwijl die [benadeelde partij] op de grond lag).
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 25 augustus 2017 te [plaats1] , gemeente [gemeente] [benadeelde partij] heeft mishandeld door
- met gebalde vuist te slaan op het gezicht en
- te schoppen tegen het lichaam, terwijl die [benadeelde partij] op de grond lag.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft op 25 augustus 2017 bij een verkeersruzie aangever mishandeld, nadat deze hem op niet mis te verstane wijze aansprak op het niet verlenen van voorrang. Verdachte heeft aangever met zijn vuist in zijn gezicht geslagen en hem geschopt terwijl hij op de grond lag. Door aldus te handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit van aangever.
Uit het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 22 oktober 2020 blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor mishandeling.
Ter zitting in hoger beroep is door verdachte en zijn raadsman aangevoerd dat, ondanks het feit dat artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht (Sr) eraan in de weg staat aan verdachte een taakstraf op te leggen, aan verdachte geen gevangenisstraf opgelegd zou moeten worden. De raadsman heeft aangevoerd dat met toepassing van artikel 22b, derde lid Sr een andere straf aan verdachte kan worden opgelegd dan een week onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals bijvoorbeeld één dag onvoorwaardelijke gevangenisstraf met daarnaast een taakstraf van veertig uren. Verdachte heeft per 1 januari 2021 een baan bij een timmer- en aannemersbedrijf in [plaats2] . Het bewezenverklaarde feit heeft ruim drie jaren geleden plaatsgevonden. Verdachte heeft vanaf 25 augustus 2017 geen nieuwe strafbare feiten gepleegd.
Het hof acht echter, mede gelet op de aard en de ernst van het feit - evenals de rechtbank en de advocaat-generaal - oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De door verdachte en zijn raadsman aangevoerde persoonlijke omstandigheden van verdachte maken dit niet anders en rechtvaardigen naar het oordeel van het hof niet een uitzondering op de toepassing van artikel 22b Sr.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
2 (twee) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Aldus gewezen door
mr. J.J. Beswerda, voorzitter,
mr. M.C. Fuhler en mr. E.M.J. Brink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier,
en op 11 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.