ECLI:NL:GHARL:2020:1060

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 januari 2020
Publicatiedatum
10 februari 2020
Zaaknummer
001716-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14f SrArt. 6:6:19 SvArt. 6:6:1 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring hof inzake vordering wijziging bijzondere voorwaarden en verwijzing naar rechtbank

De advocaat-generaal vorderde wijziging van bijzondere voorwaarden en verlenging van de proeftijd die waren opgelegd bij een onherroepelijk arrest van het hof uit 2018. Deze vordering was ingediend vóór de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen op 1 januari 2020, waarbij artikel 14f (oud) Sr verviel en werd vervangen door artikel 6:6:19 Sv Pro.

Het hof oordeelde dat vanwege het ontbreken van overgangsrecht de nieuwe wettelijke regeling met onmiddellijke werking van toepassing is. Artikel 6:6:1, eerste lid, Sv bepaalt dat de rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit bevoegd is om beslissingen te nemen over de tenuitvoerlegging, tenzij anders bepaald.

Omdat het hof niet de instantie is die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit, verklaarde het zich onbevoegd om de vordering te behandelen. De omstandigheid dat de vordering vóór 1 januari 2020 was ingediend, doet hieraan niet af. Het hof verwees de zaak daarom naar de rechtbank Noord-Nederland voor verdere behandeling.

Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005735-17
AV-nummer: 001716-19
Uitspraak d.d.: 22 januari 2020
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken op de vordering van de advocaat-generaal ex artikel 14f (oud) van het Wetboek van Strafrecht (thans 6:6:19, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering) tegen:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen veroordeelde.
Procesgang
De advocaat-generaal vordert wijziging van de bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd bij het onherroepelijk geworden arrest van het hof van 4 juli 2018 en verlenging van de in dat arrest bepaalde proeftijd.
De vordering is aan de orde gesteld op de openbare terechtzitting van 22 januari 2020, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en de veroordeelde, bijgestaan door
mr. I.M. Weijers, advocaat te Emmen.
Beoordeling
Met de op 1 januari 2020 (Stb. 2019, 507) in werking getreden Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Stb. 2017, 82) is artikel 14f (oud) van het Wetboek van Strafrecht komen te vervallen. Daarvoor in de plaats is getreden artikel 6:6:19 (nieuw) van het Wetboek van Strafvordering. Bij gebreke van overgangsrecht moet de vordering worden aangemerkt als vordering als bedoeld in het eerste lid van dit artikel.
Artikel 6:6:1, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat indien een rechter overeenkomstig de bepalingen van dit boek een beslissing kan nemen inzake de
tenuitvoerlegging, – tenzij in dit hoofdstuk anders is bepaald – tot het nemen van deze beslissing bevoegd is het gerecht dat in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare
feit waarvoor de sanctie is opgelegd waarop de beslissing ziet. Tenzij anders is bepaald kan de rechter deze beslissing ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie, dan wel op verzoek van de veroordeelde nemen.
Bij de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is niet voorzien in overgangsrecht, zodat artikel 6:6:1, eerste lid, onmiddellijke werking heeft. Dit brengt mee dat het hof niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering. De omstandigheid dat de vordering vóór 1 januari 2020 is ingediend doet hieraan niet af. Overeenkomstig artikel 6:6:1, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal het hof de zaak verwijzen naar de rechtbank Noord-Nederland.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering en verwijst de zaak naar de rechtbank Noord-Nederland.
Aldus gewezen door
mr. E. de Witt, voorzitter,
mr. J.J. Beswerda en mr. W.M. van Schuijlenburg, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. G.H. Smeitink, griffier,
en op 22 januari 2020 ter openbare zitting uitgesproken.