Art. 806 lid 1 sub a RvArtikel 8 Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens overschrijding beroepstermijn in zorg- en gezagszaken
In deze civiele procedure betreffende zorgregeling en ouderlijk gezag heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de hoger beroepen van de vrouw en de man beoordeeld op ontvankelijkheid. De bestreden beschikkingen dateren van 30 juni 2020, met een beroepstermijn tot 30 september 2020. Het hof ontving het beroepschrift echter op 1 oktober 2020, na het verstrijken van de termijn.
De vrouw stelde dat het beroepschrift tijdig was ter post bezorgd op 28 september 2020 en dat vertragingen in bezorging niet aan haar toegerekend konden worden. Het hof oordeelde dat de ontvangsttheorie geldt en dat de datum van ontvangst bij het hof bepalend is, niet de datum van ter post bezorging. Vertragingen in bezorging zijn voor risico van de indiener. De statusmelding van Post.nl dat de zending op 30 september bezorgd zou zijn, was onvoldoende betrouwbaar en kon niet leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding.
Het hof wees ook het beroep op artikel 8 vanPro het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht af, omdat er geen sprake was van een storing in het digitale systeem van de rechterlijke instanties. Gevolg was dat de vrouw niet-ontvankelijk werd verklaard in beide zaken. Omdat het principaal hoger beroep niet-ontvankelijk was, werd ook het incidenteel hoger beroep van de man niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking werd op 17 december 2020 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Verzoekster en verweerder worden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroepen wegens overschrijding van de beroepstermijn.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.283.836/01 (zorgregeling) en 200.283.837/01 (ouderlijk gezag)
(zaaknummers rechtbank Overijssel 248288 (zorgregeling) en 235026 (ouderlijk gezag))
beschikking van 17 december 2020
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer 200.283.836/01 van
[verzoekster],
wonende te [A]
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. K.R. Koopman te Zeist,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
gevestigd te Zwolle,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
in welke zaak als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de man],
wonende te [A] ,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M.J.H. Mühlstaff te Deventer,
en in de zaak geregistreerd onder zaaknummer 200.283.837/01 van
[verzoekster],
wonende te [A]
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. K.R. Koopman te Zeist,
en
[de man],
wonende te [A] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M.J.H. Mühlstaff te Deventer,
in welke zaak als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
gevestigd te Zwolle,
verder te noemen: de GI.
1.Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle (verder ook te noemen: de rechtbank), van 30 juni 2020, uitgesproken onder zaaknummer 248288 en de beschikking van de rechtbank eveneens van 30 juni 2020, uitgesproken onder zaaknummer 235026.
2.De procedure in hoger beroepIn de zaak met zaaknummer 200.283.836/01
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 1 oktober 2020; - het verweerschrift van de GI, ingekomen op 27 oktober 2020;
- het verweerschrift van de man, ingekomen op 22 oktober 2020;
- een journaalbericht van mr. Koopman van 19 oktober 2020 met productie(s).
In de zaak met zaaknummer 200.283.837/01
2.2
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 1 oktober 2020;
- het verweerschrift van de man, tevens houdende incidenteel hoger beroep, ingekomen op 22 oktober 2020;
- een journaalbericht van mr. Koopman van 19 oktober 2020 met productie(s).
2.3
Bij brieven van de griffier van het hof van 8 oktober 2020 zijn partijen en/of belanghebbende(n) in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de ontvankelijkheid van de hoger beroepen.
2.4
Namens de vrouw is dat geschied bij de hiervoor genoemde journaalberichten van 19 oktober 2020.
2.5
In de zaak met zaaknummer 200.283.836/01 zijn zowel door de man als de GI verweerschriften ingediend, maar daarin is niet ingegaan op de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de vrouw.
2.6
In de zaak met zaaknummer 200.283.837/01 heeft de man een verweerschrift ingediend, maar daarin is niet ingegaan op de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de vrouw.
2.7
Bij brieven van 17 november 2020 heeft de griffier van het hof de vrouw, de man en de GI bericht voornemens te zijn om schriftelijk te beslissen over de ontvankelijkheid van de hoger beroepen in beide zaken en hen tot uiterlijk 1 december 2020 in de gelegenheid gesteld om als daartegen bezwaar bestaat, dat bij journaalbericht gemotiveerd aan het hof kenbaar te maken. Het hof heeft geen bericht van de vrouw, de man en de GI ontvangen. Het hof zal daarom een mondelinge behandeling achterwege laten en over de ontvankelijkheid van de hoger beroepen beslissen op basis van de stukken in het dossier.
3.De motivering van de beslissing
3.1
Aan de orde is de vraag of de hoger beroepen van de vrouw (in beide zaken) tijdig zijn ingesteld.
3.2
Ingevolge artikel 806 lid 1 sub a vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan hoger beroep worden ingesteld door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
3.3
De bestreden beschikkingen dateren beide van 30 juni 2020. De laatste dag van de termijn voor het instellen van hoger beroep in deze zaken is daarom 30 september 2020. Het hof heeft het beroepschrift ontvangen op (donderdag) 1 oktober 2020 om 7.59 uur, derhalve na het verstrijken van de termijn van drie maanden.
3.4
Het hof stelt voorop dat rechtsmiddelentermijnen van openbare orde zijn en door de rechter ambtshalve moeten worden toegepast. In het belang van een goede rechtspleging moet duidelijkheid bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel aanvangt en eindigt, en aan rechtsmiddelentermijnen moet strikt de hand worden gehouden (vgl. Hoge Raad 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413). Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een uitzondering worden gemaakt, zoals in het geval van zogenoemde apparaatsfouten.
3.5
De advocaat van de vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat nu zij het beroepschrift reeds op 28 september 2020 ter post heeft bezorgd, het haar niet kan worden toegerekend dat het beroepschrift op 30 september 2020 nog niet door het hof ontvangen was.
3.6
Naar het oordeel van het hof is de datum van binnenkomst van het beroepschrift bij het hof bepalend voor de tijdigheid van de indiening, niet de datum van terpostbezorging.
Vertragingen in de bezorging komen voor rekening en risico van de vrouw. De in deze zaak opgetreden vertraging in de bezorging is naar het oordeel van het hof ook niet zodanig dat dit tot een verschoonbare overschrijding van de termijn kan leiden.
Dat de status van de zending in het track & tracesysteem van Post.nl op 30 september 2020 enige tijd op bezorgd heeft gestaan, is een omstandigheid die niet afdoet aan de te late ontvangst van het beroepschrift, hoe ongelukkig wellicht ook. Niet is gebleken dat deze statusmelding correct is geweest. Dat slechts sprake is van een korte termijnoverschrijding van ongeveer acht uur, leidt niet tot een ander oordeel.
3.7
Het hof ziet geen aanleiding om aan te sluiten bij artikel 8 vanPro het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht, zoals de advocaat van de vrouw heeft betoogd. Er is geen sprake geweest van verstoring van het digitale systeem voor gegevensverwerking van de rechterlijke instanties.
3.8
Op grond van het vorenstaande zal het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, zowel in de zaak met zaaknummer 200.283.836/01 als in de zaak met zaaknummer 200.283.837/01.
3.9
Door de man is incidenteel hoger beroep ingesteld in de zaak met zaaknummer 200.283.837/01. Omdat het principaal hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard vanwege overschrijding van de beroepstermijn, volgt het principaal hoger beroep op grond van vaste jurisprudentie hetzelfde lot. Het hof zal de man daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoeken in het incidenteel hoger beroep.
4. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
In de zaak met zaaknummer 200.283.836/01:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken in hoger beroep;
In de zaak met zaaknummer 200.283.837/01:
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoeken in het principaal hoger beroep;
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken in het incidenteel hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, J.G. Idsardi en I.A. Vermeulen, bijgestaan door mr. L.S. Veldmans als griffier, en is op 17 december 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.