ECLI:NL:GHARL:2020:1064
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hof verklaart zich onbevoegd verzoek ex artikel 577b Sv en verwijst naar rechtbank
Verzoeker heeft bij het hof een verzoek ingediend om kwijtschelding of matiging van een opgelegde ontnemingsverplichting van €70.776,50. Dit verzoek betrof een procedure ex artikel 577b, tweede lid, oud Wetboek van Strafvordering, ingediend vóór de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen per 1 januari 2020.
Het hof oordeelt dat met de inwerkingtreding van deze wet artikel 577b oud Sv is vervallen en is vervangen door artikel 6:6:26 nieuw Pro Sv. Omdat geen overgangsrecht is voorzien, geldt artikel 6:6:1 Sv Pro dat bepaalt dat de rechter die in eerste aanleg kennis heeft genomen van het strafbare feit bevoegd is voor beslissingen over tenuitvoerlegging. Dit betekent dat het hof niet bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
De argumenten van verzoeker en de advocaat-generaal dat het hof bevoegd zou zijn op grond van artikel XLIVA van de Invoeringswet en artikel 1, tweede lid, Sr worden door het hof verworpen. Het hof benadrukt dat deze bepalingen niet zien op de bevoegdheid voor het indienen van een verzoek ex artikel 577b oud Sv.
Daarom verklaart het hof zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland. De beslissing is op 22 januari 2020 in openbare zitting uitgesproken door mr. E. de Witt, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. W.M. van Schuijlenburg.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek en verwijst de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland.