ECLI:NL:GHARL:2020:10782
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs mishandeling in bedrijfsomgeving
Op 26 april 2016 ontstond een woordenwisseling tussen de verdachte en een werkneemster van een horecagelegenheid over het gebruik van een toilet bestemd voor invaliden en mensen met kleine kinderen. De toegang tot dit toilet was volgens het beleid van de horecagelegenheid alleen toegestaan bij het tonen van een aankoopbon, hetgeen de verdachte niet kon overleggen.
De verdachte probeerde ondanks dit verbod toch het toilet te betreden, waarna een woordenwisseling en een fysieke confrontatie ontstond waarbij beide partijen vielen. De werkneemster verklaarde dat de verdachte haar een klap in het gezicht had gegeven, hetgeen de verdachte ontkende en stelde slechts te hebben geduwd.
Het hof oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om wettig en overtuigend vast te stellen dat de verdachte de mishandeling had gepleegd zoals ten laste gelegd. De getuigenverklaringen waren tegenstrijdig en de camerabeelden boden geen doorslaggevend bewijs. Het duwen dat wel vaststond, kwalificeert niet als mishandeling.
Daarom vernietigde het hof het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij van mishandeling. Tevens verklaarde het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding, omdat de mishandeling niet bewezen was.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van mishandeling wegens onvoldoende bewijs.