Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 31 december 2020 het beroep van de terbeschikkinggestelde tegen de verlenging van zijn terbeschikkingstelling met één jaar door de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd. De rechtbank had op 9 juni 2020 besloten tot verlenging van de maatregel en het verzoek van de raadsvrouw tot onderzoek naar voortzetting van het verblijf op basis van de Wet langdurige zorg afgewezen.
Tijdens de zitting op 17 december 2020 werden de terbeschikkinggestelde, zijn raadsvrouw, de advocaat-generaal en deskundigen gehoord. De deskundige en de reclassering adviseerden dat het verblijf in de zorginstelling wenselijk is, maar dat voortzetting op vrijwillige basis onwenselijk is vanwege beheersbaarheid van risico's. De reclassering benadrukte de kwetsbaarheid van de terbeschikkinggestelde en de noodzaak van een wettelijk kader zoals een zorgmachtiging.
De raadsvrouw pleitte voor aanhouding van de beslissing in afwachting van de uitkomst van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging, terwijl het openbaar ministerie en het hof dit verzoek afwezen vanwege de termijn en de geplande verlengingszitting op 18 maart 2021. Het hof onderschreef het belang van een wettelijk kader voor het verblijf na afloop van de terbeschikkingstelling en benadrukte de noodzaak van voortvarendheid bij het realiseren daarvan.
De beslissing van de rechtbank wordt bevestigd met de aanvulling dat het verblijf na afloop van de maatregel niet op louter vrijwillige basis mag plaatsvinden, maar binnen een wettelijk kader dat ingrijpen mogelijk maakt. Het verzoek tot aanhouding van de beslissing wordt afgewezen.