ECLI:NL:GHARL:2020:11369

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 december 2020
Publicatiedatum
20 december 2024
Zaaknummer
21-005488-17
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 36f SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontnemingsvordering wegens medeplegen verduistering in dienstbetrekking

In deze ontnemingszaak is het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 14 september 2015, waarin een betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €32.979,50 werd vastgesteld.

De betrokkene is eerder veroordeeld voor medeplegen van verduistering in dienstbetrekking. Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering blijkt dat betrokkene en zijn mededader financieel voordeel hebben genoten van de verduisterde verkoopopbrengsten. Het hof schat het totale voordeel op €65.959, waarvan de helft wordt toegerekend aan de betrokkene, zijnde €32.979,50.

Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank om proceseconomische redenen en doet opnieuw recht. De betalingsverplichting aan de Staat wordt vastgesteld op €32.979,50. Vorderingen aan benadeelde derden zijn toegekend in de hoofdzaak, maar deze zijn nog niet voldaan, zodat deze bedragen nog niet in mindering worden gebracht op het vastgestelde voordeel.

De duur van gijzeling die kan worden gevorderd is vastgesteld op maximaal drie jaren. Het arrest is uitgesproken op 15 december 2020 door het hof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: Het hof legt een betalingsverplichting tot ontneming van €32.979,50 op aan de Staat en vernietigt het vonnis van de rechtbank.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005488-17
Uitspraak d.d.: 15 december 2020
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland van 14 september 2015 met parketnummer 16-703457-13 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
wonende te [postcode] [plaats] , [adres] .

Het hoger beroep

De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 december 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsman,
mr. B.G.J. de Rooij, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij beslissing van 14 september 2015, waartegen het hoger beroep is gericht, beslist op de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Daarbij is dat voordeel, alsmede de betalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op een bedrag van € 32.979,50.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststelt op
€ 70.109,00 en dat een verplichting tot betaling aan de Staat voor datzelfde bedrag wordt opgelegd.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd het ontnemingsvonnis te bevestigen.
De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering op grond van de door de raadsman bepleite vrijspraak.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 15 december 2020 (parketnummer 21-005487-17) ter zake van het medeplegen van verduistering in dienstbetrekking, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, met aftrek en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene en zijn mededader uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel hebben genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 65.959,--.
Het hof komt als volgt tot deze schatting:
Veroordeelde en zijn mededader hebben de volgende verkoopopbrengsten contant
ontvangen en verduisterd:
  • een geldbedrag van 2500 euro, zijnde de verkoopopbrengst van een auto met kenteken [kenteken] aan autobedrijf [autobedrijf] ;
  • een geldbedrag van 5000 euro, zijnde de verkoopopbrengst van een auto met kenteken [kenteken] aan mevrouw [naam] :
  • een geldbedrag van 2000 euro, zijnde de gedeeltelijke verkoopopbrengst van een auto met kenteken [kenteken] aan meneer [naam] ;
  • een geldbedrag van 3000 euro, zijnde de gedeeltelijke verkoopopbrengst van een auto met kenteken [kenteken] aan meneer [naam] en mevrouw [naam] :
  • een geldbedrag van 3000 euro, zijnde de gedeeltelijke verkoopopbrengst van een auto met kenteken [kenteken] aan meneer en mevrouw [naam] ;
  • een geldbedrag van 865 euro, zijnde de verkoopopbrengst van een auto met kenteken [kenteken] aan meneer en mevrouw [naam] / [naam] ;
  • een geldbedrag van 500 euro, zijnde de gedeeltelijke verkoopopbrengst van een auto met kenteken [kenteken] aan meneer [naam] en mevrouw [naam] ;
  • een geldbedrag van 2750 euro, zijnde de gedeeltelijke verkoopopbrengst van een auto met kenteken [kenteken] aan mevrouw [naam] ;
  • een geldbedrag van 400 euro, zijnde de gedeeltelijke verkoopopbrengst van een auto met kenteken [kenteken] aan [naam] ;
  • een geldbedrag van 6500 euro, zijnde de verkoopopbrengst van een auto met kenteken [kenteken] aan meneer [naam] ;
  • een geldbedrag van 2250 euro, zijnde de verkoopopbrengst van een auto met kenteken [kenteken] aan mevrouw [naam] ;
  • een geldbedrag van 3500 euro, zijnde de gedeeltelijke verkoopopbrengst van een auto met kenteken [kenteken] aan mevrouw [naam] ;
  • een geldbedrag van 4744 euro, zijnde de gedeeltelijke verkoopopbrengst van een auto met kenteken [kenteken] aan mevrouw [naam] ;
  • een geldbedrag van 12.950 euro. zijnde de verkoopopbrengst van een auto met kenteken [kenteken] aan meneer en mevrouw [naam] ;
  • een geldbedrag van 8.000 euro, zijnde de verkoopopbrengst van een auto met kenteken [kenteken] aan [naam] .
Dit betreft een totaal van € 65.959,00. Aannemelijk is dat verdachte en zijn mededader de opbrengsten verdeelden. Het hof stelt het bedrag dat door de veroordeelde wederrechtelijk aan voordeel is verkregen vast op € 65.959,00 / 2 = € 32.979,50.
De verplichting tot betaling aan de Staat
De verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel stelt het hof vast op € 32.979,50.
Op grond van artikel 36e lid 8 van het Wetboek van Strafrecht dienen de aan benadeelde derden in rechter toegekende vorderingen alsmede de verplichtingen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht in mindering worden gebracht voor zover deze zijn voldaan.
In de hoofdzaak zijn vorderingen aan benadeelde derden toegekend, maar deze zijn nog niet voldaan. Het hof zal daarom op dit moment die bedragen nog niet in mindering brengen op het vast te stellen wederrechtelijk verkregen voordeel.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
32.979,50 (tweeëndertigduizend negenhonderdnegenenzeventig euro en vijftig cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 32.979,50 (tweeëndertigduizend negenhonderdnegenenzeventig euro en vijftig cent).
Bepaalt dat de aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen alsmede de verplichting tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer, beide als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht in de hoofdzaak, voor zover zij zijn voldaan, in mindering worden gebracht op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting aan de Staat.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 3 jaren.
Aldus gewezen door
mr. R.W. van Zuijlen, voorzitter,
mr. K.A.J.M. Wetzels en mr. J.S. van Duurling, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M. Klein, griffier,
en op 15 december 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. R.W. van Zuijlen en J.S. van Duurling zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 15 december 2020.
Tegenwoordig:
mr. K.A.J.M. Wetzels, voorzitter,
mr. E.C. Lodder, advocaat-generaal,
mr. A.C. Wormgoor, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt het arrest uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.