ECLI:NL:GHARL:2020:1145

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 februari 2020
Publicatiedatum
12 februari 2020
Zaaknummer
Wahv 200.247.450/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor achteruit rijden tegen eenrichtingsverkeer

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het handelen in strijd met een geslotenverklaring (bord C2) door achteruit tegen de richting van een eenrichtingsweg in te rijden op de Graaf Lodewijk van Nassaustraat te Rotterdam. Hij voerde aan dat hij slechts achteruit inparkeren deed en niemand hinderde of gevaar veroorzaakte.

Het hof stelde vast dat de betrokkene vanaf de Kleiweg enkele meters achteruit de eenrichtingsweg is ingereden, waarbij het bord C2 werd gepasseerd. Dit is in strijd met de geslotenverklaring. De omstandigheid dat hij parkeerde in het eerste parkeervak doet hieraan niet af.

Het hof oordeelde dat het achteruit rijden tijdens het fileparkeren toegestaan is wanneer men de weg in de juiste richting is ingereden, maar dat dit niet van toepassing is omdat de betrokkene de weg vanuit de verboden richting betrad.

Er waren geen bijzondere omstandigheden om de sanctie te matigen, ook al was er geen hinder of gevaar. De procedure duurde niet langer dan de redelijke termijn. Daarom bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter.

Uitkomst: Het hof bevestigt de sanctie van €140 voor het achteruit inrijden tegen een eenrichtingsweg.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.247.450/01
CJIB-nummer
: 211555103
Uitspraak d.d.
: 12 februari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 31 augustus 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
Op 4 juli 2019 is nog een brief van de betrokkene ontvangen.
Bij brief van 25 juli 2019 heeft de betrokkene het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “Handelen in strijd met een geslotenverklaring (bord C2 van het RVV 1990, eenrichtingverkeer)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 11 oktober 2017 om 11:29 uur op de Graaf Lodewijk van Nassaustraat in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. De betrokkene voert aan dat hij de gedraging niet heeft verricht. Hij is de eenrichtingsweg niet achteruit ingereden, maar heeft achteruit ingeparkeerd in het eerste parkeervak in de betreffende straat. Die straat is zo smal dat parkeren daar niet mogelijk is zonder het gewenste parkeervak eerst voorbij te rijden en vervolgens achteruit in te parkeren. Bovendien heeft de betrokkene niemand gehinderd en heeft hij geen gevaarlijke situatie veroorzaakt. Ter onderbouwing heeft de betrokkene een foto van de situatie ter plaatse overgelegd.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Bord C2. Ik zag dat het voornoemde voertuig kwam uit de richting van de Kleiweg en reed in de richting van de Graaf Lodewijk van Nassaustraat. Gekomen bij de kruising met de Graaf Lodewijk van Nassaustraat zag ik dat het betrokken voertuig het voor hem bedoelde bord C2 negeerde en de geslotenverklaring in reed.”
5. Op de door de betrokkene overgelegde foto is de kruising van de Kleiweg met de Graaf Lodewijk van Nassaustraat te zien. Aan het begin van de Graaf Lodewijk van Nassaustraat - gezien vanaf de Kleiweg - is aan de rechterzijde van de weg een bord C2 geplaatst. Vlak daarachter bevindt zich het parkeervak waarin de betrokkene zijn voertuig heeft geparkeerd.
6. Op grond van de verklaring van de ambtenaar, de bovengenoemde foto en hetgeen de betrokkene zelf heeft aangevoerd, stelt het hof vast dat de betrokkene met zijn voertuig vanaf de Kleiweg enkele meters achteruit de Graaf Lodewijk van Nassaustraat is ingereden en hierbij een bord C2 is gepasseerd. Het hof is van oordeel dat de betrokkene hiermee heeft gehandeld in strijd met een geslotenverklaring. De omstandigheid dat de betrokkene zijn voertuig in het eerste parkeervak in die straat heeft geparkeerd en de eenrichtingsweg niet verder (achteruit) is ingereden, doet hier niet aan af. Met de betrokkene is het hof van oordeel dat wanneer men een eenrichtingsweg in de juiste richting inrijdt en vervolgens tijdens het fileparkeren een klein stukje achteruit rijdt, dit is toegestaan. Van die situatie is in het onderhavige geval echter geen sprake, omdat de betrokkene de eenrichtingsweg vanaf de verboden richting is ingereden en daarbij een bord C2 is gepasseerd. Aldus kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
7. Gelet op het gevoerde verweerd dient het hof vervolgens te beoordelen of er andere redenen zijn om een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen daartoe aanleiding geven.
8. Naar het oordeel van het hof is er in het onderhavige geval geen sprake van bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld. De omstandigheid dat de betrokkene niemand heeft gehinderd en geen gevaarlijke situatie heeft veroorzaakt, geeft geen aanleiding om de sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen. Het verrichten van een gedraging als de onderhavige kan op zichzelf al het opleggen van een sanctie rechtvaardigen. De mogelijkheid tot oplegging van deze sanctie heeft de wetgever niet afhankelijk gesteld van de vraag of hinder of gevaar is veroorzaakt.
9. Tot slot klaagt de betrokkene nog over de lange duur van de procedure. Het hof heeft in navolging van bestendige rechtspraak van de hoogste bestuursrechters bij arrest van 3 maart 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:GHARL:2017:1777) geoordeeld dat sprake is van schending van de redelijke termijn van berechting wanneer de procedure in eerste aanleg – inclusief het administratief beroep – langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. Voor het hoger beroep bedraagt de redelijke termijn van berechting eveneens ten hoogste twee jaar. Die termijn gaat in op het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld. Bestraffende sancties hoger dan € 1.000,- worden bij schending van de redelijke termijn in beginsel gematigd. Bij sancties onder de
€ 1.000,-, zoals de onderhavige, wordt volstaan met de vaststelling dat artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is geschonden. Het hof stelt vast dat in deze zaak de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg en in hoger beroep niet is overschreden, zodat het hof voorbij zal gaan aan de klacht van de betrokkene over de lange duur van de procedure.
10. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
Beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.