ECLI:NL:GHARL:2020:1286

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 februari 2020
Publicatiedatum
17 februari 2020
Zaaknummer
Wahv 200.236.179/01h
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4.18 Regeling VoertuigenWet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor onvoldoende zicht door voorste zijruit door ijslaag

De betrokkene werd beboet wegens het rijden met onvoldoende zicht door de voorste zijruiten van zijn voertuig, vastgesteld op 5 december 2016 in Uithuizermeeden. De overtreding betrof een brede ijslaag langs de zijstijl die het zicht aan de bestuurderszijde aanzienlijk beperkte.

De betrokkene erkende dat de zijruiten niet volledig schoon waren, maar stelde dat het zicht voldoende was. Het hof oordeelde echter, op basis van verklaringen van de verbalisant en foto’s van de situatie, dat het zicht door de ijslaag onvoldoende was in de zin van artikel 5.4.18 van de Regeling Voertuigen.

Het hof corrigeerde een kennelijke verschrijving in het eerdere arrest waarin abusievelijk 'voorruit' stond in plaats van 'zijruit'. Uiteindelijk bevestigde het hof de beslissing van de kantonrechter die het beroep van de betrokkene ongegrond verklaarde en de boete van €230,- handhaafde.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €230,- wegens onvoldoende zicht door de voorste zijruit door een brede ijslaag.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.236.179/01
CJIB-nummer
: 203667479
Uitspraak d.d.
: 17 februari 2020
Herstelarrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

Het procesverloop

Op 30 januari 2020 heeft het hof arrest gewezen. Daarbij is de beslissing van de kantonrechter bevestigd.

BeoordelingHet hof constateert dat in overweging 8. van het arrest van 30 januari 2020 abusievelijk het woord voorruit is vermeld, dit had het woord zijruit moeten zijn. Het betreft een kennelijke verschrijving. Het hof zal voornoemd arrest van 30 januari 2020 in voormelde zin wijzigen.

Beslissing

Het gerechtshof:
wijzigt het arrest van 30 januari 2020 zodat het komt te luiden als hierna aangegeven:

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.236.179/01
CJIB-nummer
: 203667479
Uitspraak d.d.
: 30 januari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden terwijl er onvoldoende zicht is door voorruit en/of voorste zijruiten”. Deze gedraging zou zijn verricht op 5 december 2016 om 7.21 uur op de Hoofdstraat in Uithuizermeeden met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. De betrokkene stelt dat de sanctie ten onrechte is opgelegd. Hij erkent dat de voorste zijruiten niet geheel waren schoongekrabd, maar naar de mening van de betrokkene waren ze wel zodanig van ijs ontdaan, dat hij voldoende zicht had.
3. De verweten gedraging is een overtreding van artikel 5.4.18, onder a, van de Regeling Voertuigen. Dat luidt:
“De bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen moet:
a. voldoende zicht naar voren en opzij hebben door de voorruit en de voorste zijruiten (…)”
4. De toelichting op voornoemde regeling (gepubliceerd in Staatscourant 2011, 19193) houdt ten aanzien van dit artikel onder meer in:
“Dit artikel bepaalt dat het gezichtsveld van de bestuurder niet mag worden beperkt. Deze gebruikseis bepaalt niet in welke gevallen er nog sprake is van voldoende zicht, aangezien dit te zeer afhankelijk is van de omstandigheden van het concrete geval. Dit betekent dat het artikel met name zal worden toegepast in die gevallen waarin ernstige twijfel rijst omtrent het uitzicht van de bestuurder. (…)”
5. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de verklaring van de ambtenaar zoals opgenomen in het zaakoverzicht onder meer het volgende in:
“Ik zag dat de ruiten niet volledig schoon gekrabd waren. (…) Verklaring betrokkene: “ik dacht dat het wel voldoende was zo.”
6. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal waarin de ambtenaar, voor zover van belang, verklaart:
“Op 5 december 2017 omstreeks 7.21 uur constateerde ik, verbalisant [B] , dat van het voertuig voorzien van kenteken [00-YY-YY] de zijruiten niet voldoende schoon waren gemaakt om voldoende zicht te hebben naar zowel links als rechts. Het voertuig reed ons voorbij, waardoor deze overtreding door ons werd geconstateerd. Na het geven van een stopteken, waar ook aan werd voldaan, heb ik de bestuurder medegedeeld wat de reden was dat wij hem staande hielden. Ik maakte vervolgens een tweetal foto’s waarop te zien is dat de zijruiten aan zowel de rechterzijde als de linkerzijde niet voldoende waren schoongekrabd. Het feit is door collega [C] mede geconstateerd. Betrokkene stelt in zijn/haar verweer dat er onduidelijkheid heerst over dat er onvoldoende zicht zou zijn door het voorruit en/of voorste zijruiten. Betrokkene heeft in dit geval de bekeuring gekregen voor het niet voldoende zicht hebben door de voorste zijruiten en niet door het voorruit. Deze was inderdaad goed schoon, waardoor er voldoende zicht naar voren was.”
7. Ook bevat het dossier twee foto’s waarop de voorste zijruiten van het voertuig zichtbaar zijn. Op de eerste foto is de voorste zijruit van de bestuurderskant zichtbaar. Hierop is te zien dat aan de randen van de zijruit een laag ijs zit. De tweede foto is genomen vanaf de andere zijde van het voertuig. Hierop is eveneens een laag ijs aan de randen van de zijruit zichtbaar.
8. Naar het oordeel van het hof kan aan de hand van de foto’s worden vastgesteld dat er sprake is van niet voldoende zicht in de zin van artikel 5.4.18, aanhef en onder a, van de Regeling voertuigen. In het bijzonder het zicht naast en schuin achter het voertuig aan de bestuurderszijde wordt zodanig beperkt vanwege de brede ijslaag langs de zijstijl van de linker voorportier dat moet worden geoordeeld dat het zicht door die zijruit niet voldoende is. Gelet hierop volgt het hof de stelling van de betrokkene dat er wel voldoende zicht was, niet.
9. Gelet op het voorgaande kan de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.