ECLI:NL:GHARL:2020:1489

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
21 februari 2020
Publicatiedatum
21 februari 2020
Zaaknummer
Wahv 200.234.215/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 67 WVW 1994Art. 68 WVW 1994Art. 69 WVW 1994Art. 72 WVW 1994Art. 73 WVW 1994
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtshof vermindert boete wegens onjuiste interpretatie keuringsplicht voertuig

De betrokkene werd een boete van €130 opgelegd omdat zijn voertuig zonder geldig keuringsbewijs op de openbare weg zou hebben gestaan. Het voertuig was op 3 mei 2017 afgekeurd en stond in afwachting van onderdelen geparkeerd op de openbare weg, waarna het op 27 juni 2017 werd goedgekeurd. De betrokkene stelde dat het voertuig niet op de openbare weg had gereden en dat volgens artikel 11, tweede lid, van het Besluit voertuigen het voertuig twee maanden na afkeuring op de openbare weg mocht staan.

Het hof oordeelde dat deze lezing onjuist was omdat er nog geen keuringsbewijs was afgegeven op het moment van de overtreding. De periodieke keuringsplicht was herleefd na het opheffen van de schorsing van het kentekenbewijs, waardoor het voertuig op dat moment gekeurd had moeten zijn. De betrokkene had ook niet tijdig de geldigheid van het kentekenbewijs geschorst, wat voor zijn rekening kwam.

De advocaat-generaal stelde voor de boete te matigen tot de helft, wat het hof volgde. Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter, verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond en matigde de boete tot €65. Daarnaast werd bepaald dat dit bedrag aan de betrokkene wordt gerestitueerd.

Uitkomst: Het gerechtshof matigt de boete tot €65 en vernietigt de beslissing van de kantonrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.234.215/01
CJIB-nummer
: 207829833
Uitspraak d.d.
: 21 februari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten.
Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 130,- opgelegd ter zake van: "voor motorrijtuig van minder dan 3500 kg is geen keuringsbewijs afgegeven". Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 30 mei 2017 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
2. De betrokkene is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Hij stelt dat hij de gedraging niet heeft begaan. Het voertuig van de betrokkene is op 3 mei 2017 APK-afgekeurd door het keuringsstation. In afwachting van onderdelen heeft de betrokkene zijn voertuig geparkeerd op een openbare weg. Vervolgens is het voertuig op 27 juni 2017 goedgekeurd. In de tussenliggende periode heeft het voertuig niet op de openbare weg gereden. Uit informatie van de ANWB valt, aldus de betrokkene, op te maken dat als een voertuig na een keuring APK wordt afgekeurd, deze nog twee maanden op een openbare weg mag stilstaan in afwachting van een herkeuring. De twee maanden waren nog niet verstreken en de sanctie is dan ook ten onrechte opgelegd. Bovendien had het voertuig ten tijde van de controle een geldig kentekenbewijs en mocht dit dus deelnemen aan het verkeer. Tot slot stelt de betrokkene dat hij er niet van op de hoogte was dat hij de geldigheid van het kentekenbewijs van het voertuig in de tussenliggende periode (opnieuw) had moeten laten schorsen.
3. De onderhavige gedraging is gebaseerd op artikel 72, tweede lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). De volgende bepalingen uit de WVW 1994 zijn in deze zaak van belang:
- artikel 67 WVW Pro 1994:
"1. Indien met een voertuig geen gebruik van de weg wordt gemaakt, schorst de Dienst Wegverkeer op aanvraag van de eigenaar of houder van dat voertuig, tegen betaling, op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze, van het daarvoor door deze dienst vastgestelde tarief, de tenaamstelling in het kentekenregister."
- artikel 68 WVW Pro 1994:
"1. De schorsing eindigt:
a. door opheffing als bedoeld in artikel 69."
- artikel 69 WVW Pro 1994:
"1. De schorsing wordt op aanvraag van de eigenaar of houder door de Dienst Wegverkeer opgeheven."
- Art. 72 WVW Pro:
"1. Voor een motorrijtuig of een aanhangwagen, waarvoor een kenteken is opgegeven dan wel dient te zijn opgegeven, dient een keuringsbewijs te zijn afgegeven.
2. Het keuringsbewijs dient: (…)
b. zijn geldigheid niet te hebben verloren (…);
3. Voor overtreding van het eerste lid en het bepaalde bij of krachtens het tweede lid zijn aansprakelijk:
a. voor zover het betreft een motorrijtuig, de eigenaar of houder, alsmede in het geval dat met dat motorrijtuig over de weg wordt gereden, de bestuurder."
- Art. 73 WVW Pro:
"1. Artikel 72 geldt Pro niet indien:
a. (…)
b. de geldigheid van het voor het betrokken voertuig afgegeven kentekenbewijs is geschorst overeenkomstig paragraaf 6 van hoofdstuk IV. "
4. Tot de gedingstukken behoort het zaakoverzicht van het CJIB. Uit het zaakoverzicht blijkt dat voor het voertuig van de betrokkene op 21 november 2016 voor het eerst een Nederlands kenteken is opgegeven. Op dat moment verkreeg artikel 72, eerste lid, van de WVW 1994 gelding voor het voertuig en diende voor het voertuig een keuringsbewijs te zijn afgegeven. De geldigheid van het kentekenbewijs is op 5 december 2016 geschorst en vervolgens is de schorsing van het kentekenbewijs opgeheven per 2 mei 2017.
5. Uit het samenstel van het bepaalde in de artikelen 68, eerste lid, aanhef en onder a, 69, eerste lid en 73, eerste lid aanhef en onder b, WVW, volgt dat zodra de schorsing van de geldigheid van het kentekenbewijs is opgeheven, de periodieke keuringsplicht van artikel 72 WVW Pro herleeft. Nu voor het voertuig van de betrokkene nog geen keuringsbewijs was afgegeven, diende het voertuig ten tijde van de opheffing van de schorsing gekeurd te zijn.
6. Het hof begrijpt het verweer van de betrokkene zo dat hij een beroep doet op artikel 11, tweede lid, van het Besluit voertuigen (hierna: Bv). Dit artikellid luidt als volgt:
"2. Een motorrijtuig of een aanhangwagen mag gedurende twee maanden na het tijdstip waarop de geldigheidsduur van een voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen afgegeven keuringsbewijs verstrijkt, op de weg staan zonder dat voor dat motorrijtuig of die aanhangwagen een keuringsbewijs is afgegeven waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken."
7. Het standpunt van de betrokkene dat zijn voertuig gelet op artikel 11, tweede lid, van het Bv na afkeuring nog twee maanden op de openbare weg mocht stilstaan in afwachting van een herkeuring, berust op een verkeerde lezing van dat artikel en is derhalve onjuist. Op het moment van de geconstateerde gedraging was geen sprake van (een periode van twee maanden na) een verstreken geldigheidsduur van het keuringsbewijs, maar was in het geheel (nog) geen keuringsbewijs afgegeven. Immers is pas voor het eerst op 27 juni 2017 een Nederlands keuringsbewijs afgegeven. Gelet hierop faalt het beroep op artikel 11, tweede lid, van het Bv.
8. Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof, gelet op het gevoerde verweer, te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
9. Met betrekking tot het verweer van de betrokkene dat hij niet wist dat hij de geldigheid van het kentekenbewijs van het voertuig (opnieuw) had moeten schorsen op het moment dat het voertuig was afgekeurd, overweegt het hof dat dat een omstandigheid is waarvan de gevolgen voor rekening van de betrokkene dienen te komen. Van kentekenhouders mag worden verwacht dat zij zich inspannen om op de hoogte te blijven van de voor hen geldende regelgeving en zich bij vragen of onduidelijkheden wenden tot de daarvoor geëigende dienst, zoals in dit geval de Dienst Wegverkeer.
10. De advocaat-generaal heeft aangegeven dat de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden voor hem aanleiding vormen om het sanctiebedrag te matigen tot de helft.
11. In aanmerking genomen dat de officier van justitie in het kader van een procedure als deze, op de voet van artikel 9, tweede lid, van de Wahv, een eigen bevoegdheid heeft om in een concrete zaak vast te stellen wat het bedrag van de sanctie dient te zijn, zal het hof de advocaat-generaal hierin volgen en het bedrag van de sanctie matigen tot € 65,-. Naar het oordeel van het hof bestaat voor verdergaande matiging van het sanctiebedrag of het achterwege laten van de sanctie geen grond.
12. Het voorgaande brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen, het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond zal verklaren en, met wijziging van de beslissing van de officier van justitie in zoverre, het bedrag van de sanctie in de inleidende beschikking zal wijzigen.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de inleidende beschikking aldus dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 65,-;
bepaalt dat van hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld een bedrag van € 65,- door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.