In deze civiele zaak ging het om een geschil over de hoofdverblijfplaats van een minderjarig kind. De rechtbank had bepaald dat het kind haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zou hebben, mits zij binnen een bepaalde termijn in de regio van de vader zou wonen, anders zou het kind bij de vader verblijven. De moeder verzocht in hoger beroep om schorsing van deze beschikking.
Tijdens de behandeling in hoger beroep werd vastgesteld dat het belang van het kind voorop staat bij beslissingen over de hoofdverblijfplaats. Het hof nam daarbij in aanmerking dat de moeder uit een noodsituatie was vertrokken en momenteel niet in staat was terug te keren naar de regio vanwege financiële en sociale omstandigheden. De vader had een onzekere woon- en leefsituatie, was gedetineerd geweest en had geen vast inkomen, waardoor het onduidelijk was of hij voor het kind kon zorgen.
Het hof oordeelde dat het belang van het kind en de moeder bij het behouden van de huidige situatie zwaarder woog dan het belang van de vader bij de uitvoering van de beschikking. Daarom werd de werking van de beschikking geschorst, waardoor het kind voorlopig bij de moeder bleef wonen. De verzoeken om voorlopige voorzieningen werden daarmee niet behandeld.