ECLI:NL:GHARL:2020:1691

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 februari 2020
Publicatiedatum
26 februari 2020
Zaaknummer
Wahv 200.198.236/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens twijfel aan juiste bebording maximumsnelheid op autosnelweg

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het overschrijden van de maximumsnelheid met 13 km/u op de A2 autosnelweg. Hij voerde aan dat er geen deugdelijke bebording aanwezig was die de lagere snelheid aangaf.

Er was slechts een schouwrapport van negen dagen vóór de overtreding, maar geen controle na de datum van de overtreding. Dit leidde tot gerede twijfel of de bebording daadwerkelijk aanwezig was op het moment van de overtreding.

Het hof vernietigde daarom het besluit van de kantonrechter dat het beroep ongegrond verklaarde en verklaarde het beroep gegrond. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan de betrokkene.

De zaak benadrukt het belang van voldoende en actueel bewijs van bebording bij snelheidsovertredingen op autosnelwegen.

Uitkomst: Het hof verklaart het beroep gegrond wegens onvoldoende bewijs van juiste bebording en vernietigt het besluit van de kantonrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.198.236/01
CJIB-nummer
: 188080376
Uitspraak d.d.
: 26 februari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 21 juli 2016, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de kantonrechter toegewezen tot een bedrag van € 124,-.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 27 mei 2017 en 16 juli 2018 zijn van de gemachtigde van de betrokkene brieven ontvangen.
De griffier van het hof heeft de advocaat-generaal middels schrijven van 14 november 2019 om aanvullende informatie verzocht.
Op 22 november 2019 zijn van de advocaat-generaal aanvullende stukken ontvangen.
De gemachtigde van de betrokkene heeft hierop middels schrijven van 29 november 2019 gereageerd.

Beoordeling

1. De namens de betrokkene aangevoerde bezwaren richten zich onder meer tegen de beslissing van de kantonrechter waarbij beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. Bij deze inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 96,- voor: “overschrijding maximumsnelheid op autosnelwegen, met 13 km/h (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 maart 2015 om 14:48 uur op de A2 rechts (trajectcontrole) in Maarssen met het voertuig met het kenteken [00-YY-00] .
2. Namens de betrokkene wordt onder meer aangevoerd dat niet is gebleken van deugdelijke bebording op het traject. Het gaat om een autosnelweg waar normaliter een hogere snelheid geldt. Bebording die van deze reguliere maximumsnelheid afwijkt, is de betrokkene niet gepasseerd. Uit de door de advocaat-generaal overgelegde stukken volgt niet dat de bebording ten tijde van de gedraging in orde was, nu slechts een schouwrapport is overgelegd van negen dagen voor de gedraging. In een arrest van het hof van 25 april 2017 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2017:3565), volgens de gemachtigde een zaak identiek aan de onderhavige, is de inleidende beschikking om die reden vernietigd.
3. Het zaakoverzicht houdt, naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, onder meer het volgende in:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van factoren tijd en afstand.
Gemeten (afgelezen) snelheid: 117 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 113 km per uur.
Toegestane snelheid: 100 km per uur.
Overschrijding met: 13 km per uur. (…)
Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 55.2R.”
4. In het dossier bevinden zich tevens foto's van de gedraging. Op de foto's is het voertuig van de betrokkene te zien. De gegevens die in de databalk onderin de foto's zijn vermeld stemmen overeen met de hiervoor vermelde gedragingsgegevens. Ook valt uit de databalk af te lezen dat de trajectmeting is gestart bij hectometerpaal 49.9R en is geëindigd bij hectometerpaal 55.2R.
5. Uit het door de advocaat-generaal overgelegde proces-verbaal van schouw, met als bijlage het schouwrapport, blijkt dat op 26 februari 2015 de bebording op de A2 rechts ter hoogte van Holendrecht-Maarssen is gecontroleerd en dat is gebleken dat ter hoogte van onder andere hectometerpaal 49.2b, 50.0 en 53.6, dus voorgaande aan het punt van de controle, zowel aan de linkerzijde als aan de rechterzijde van de weg, het bord A1 met de aangegeven snelheid 100 stond.
6. Mede gelet op hetgeen de betrokkene consistent en vasthoudend heeft aangevoerd, is er bij het hof gerede twijfel gerezen over de vraag of op voormelde datum en tijd ter plaatse door middel van borden stond aangegeven dat er een maximumsnelheid van 100 km per uur gold. Het door de advocaat-generaal overgelegde proces-verbaal van bevindingen, met bijlage, heeft deze twijfel niet weggenomen. Weliswaar blijkt hieruit dat een controle van de bebording heeft plaatsgevonden, maar deze controle heeft plaats gevonden op 26 februari 2015, derhalve negen dagen voor de dag waarop de gedraging zou zijn verricht. Het is niet bekend met welke frequentie de bebording op de A2 wordt gecontroleerd en voorts is geen schouwrapport overgelegd waaruit blijkt dat na de pleegdatum van de onderhavige gedraging de bebording is gecontroleerd en in orde is bevonden. Het proces-verbaal d.d. 26 februari 2015 maakt niet voldoende aannemelijk dat ook op 7 maart 2015 de bebording met maximumsnelheid 100 km per uur stond geplaatst. Gelet op het voorgaande is onvoldoende komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
7. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter derhalve vernietigen voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard en, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond verklaren.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift en het hoger beroepschrift dienen in totaal twee procespunten te worden toegekend. Het hof zal aan de reactie op de toezending van de advocaat-generaal verkregen informatie een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 656,25.
9. De gemachtigde voert tot slot nog aan dat de kantonrechter de proceskostenvergoeding op een onjuist bedrag heeft vastgesteld. De kantonrechter heeft de proceskostenvergoeding volgens diens beslissing berekend als 1 x € 496,- x 0,5 = € 124,-, maar dit moet volgens de gemachtigde
€ 248,- zijn.
10. Het hof stelt vast dat uit de beslissing van de kantonrechter kan worden afgeleid dat er één punt ad € 496,- is toegekend waarbij wegingsfactor 0,25 in acht is genomen. De hieruit voortvloeiende berekening komt uit op een proceskostenvergoeding van € 124,-. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter op dit punt aldus verbeterd lezen.

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard;
bevestigt deze beslissing voor het overige;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 656,25,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Arends als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.