ECLI:NL:GHARL:2020:1795

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 februari 2020
Publicatiedatum
2 maart 2020
Zaaknummer
Wahv 200.258.391/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WahvArt. 3:41 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep snelheidsovertreding ongegrond verklaard

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn beroep tegen een beslissing van de officier van justitie over een snelheidsovertreding binnen de bebouwde kom. De kantonrechter had het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend. Het hof oordeelde dat het beroepschrift tijdig was gepost en vernietigde de beslissing van de kantonrechter.

Het hof beoordeelde vervolgens het beroep inhoudelijk. De betrokkene voerde aan dat de flitspaal scheef stond en daardoor de apparatuur onbetrouwbaar was. Uit verklaringen van deskundigen bleek echter dat de flitspaal automatisch wordt uitgeschakeld wanneer deze scheef komt te staan, waardoor de handhaving stopt. De apparatuur wordt bovendien na iedere wissel opnieuw geijkt en uitgelijnd.

Gezien deze deskundige toelichting en het ontbreken van andere aanwijzingen voor onbetrouwbaarheid, concludeerde het hof dat de overtreding van de maximumsnelheid van 11 km/u binnen de bebouwde kom was vastgesteld met betrouwbare apparatuur. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de snelheidsovertreding is ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het eerdere beroep is vernietigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.258.391/01
CJIB-nummer
: 214230775
Uitspraak d.d.
: 28 februari 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 15 april 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is [B] , kantoorhoudende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
De zaak is behandeld op de zitting van 15 november 2019. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [C] . De behandeling van de zaak is op deze zitting aangehouden voor onbepaalde tijd om de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen aanvullende informatie in het geding te brengen.
Op 6 januari 2020 is deze informatie ontvangen van de advocaat-generaal. Deze informatie is in afschrift naar de gemachtigde gestuurd, waarbij de gemachtigde in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren. De gemachtigde heeft geen gebruik gemaakt van deze gelegenheid.

Beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.
2. Tegen de beslissing van de officier van justitie kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 9, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:24, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beslissing aan de betrokkene is toegestuurd. Uit artikel 6:9 van Pro de Awb volgt dat een beroepschrift dat binnen een week na het aflopen van de beroepstermijn per post binnenkomt nog op tijd is, zolang het beroepschrift maar voor het einde van de termijn op de post is gedaan.
3. De beslissing van de officier van justitie is op 2 oktober 2018 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 13 november 2018. Het beroepschrift is gedateerd 12 november 2018. Uit een stempel blijkt dat het beroepschrift op 15 november 2018 door de officier van justitie is ontvangen.
4. Doordat de gemachtigde het beroepschrift heeft verzonden in een envelop "port betaald" is het niet gestempeld en kan niet worden vastgesteld dat de brief binnen de beroepstermijn ter post is bezorgd. Het ontbreken van bewijs komt voor rekening van de verzender van het poststuk, echter als
een per post verstuurd beroepschrift op de eerste of tweede werkdag na de beroepstermijn wordt bezorgd, wordt aangenomen dat het op tijd is gepost. Als vast komt te staan dat het beroepschrift niet binnen de beroepstermijn is gepost, geldt dat uitgangspunt uiteraard niet.
5. Het beroepschrift is op de tweede werkdag na de beroepstermijn ingekomen bij het parket CVOM. Aangenomen wordt dat het op tijd ter post is bezorgd. Het beroep is tijdig ingesteld. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de kantonrechter daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal deze beslissing vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 94,- voor: “overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom, met 11 km/h”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 januari 2018 om 6:24 uur op Het Noord in Drachten met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] . De officier van justitie heeft het beroep hiertegen ongegrond verklaard.
7. De gemachtigde bestrijdt dat met het voertuig van de betrokkene de maximumsnelheid is overschreden. Hij voert daartoe aan dat de apparatuur niet meer betrouwbaar is. De apparatuur wordt vooraf geijkt voor de NMi en dan geplaatst in een vaste flitspaal, waarbij de oude apparatuur wordt verwijderd. Uit de foto van de gedraging en de bijgevoegde foto van de flitspaal blijkt dat deze scheef staat. Het is zeer goed mogelijk dat tussen het moment van plaatsen van de apparatuur en het moment dat de gedraging is vastgesteld er iets met de flitspaal is gebeurd waardoor de apparatuur niet meer betrouwbaar is. Het is de gemachtigde niet bekend dat de oude apparatuur na het verwijderen nogmaals geijkt wordt om te controleren of deze nog voldoet aan de eisen.
8. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.
Gemeten (afgelezen) snelheid: 64 km/u.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 61 km/u.
Toegestane snelheid: 50 km/u.
Overschrijding met: 11 km/u.”
10. In reactie op de nadere toelichting geeft de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal aan de stelling van de gemachtigde te hebben voorgelegd aan [D] , adviseur verkeershandhaving van het openbaar ministerie. Hij heeft als volgt verklaard: “Het is correct dat de apparatuur in een vaste flitspaal rouleert. De flitspaal kent een vast opstelpunt en de daarin aanwezige apparatuur wordt na iedere wissel opnieuw ingesteld en in een vaste hoek uitgericht. Deze uitrichting is onderdeel van het installatieproces. Mocht een mast om wat voor reden scheef (gaan) staan dan wordt dit door een sensor opgemerkt waardoor de handhaving gestaakt wordt en er een alarm wordt verzonden. Het beeld mag door de kijkhoek dan de indruk wekken dat de flitspaal scheef staat, maar dat is in werkelijkheid niet het geval”.
11. Het hof heeft de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld een verklaring van de heer [D] te overleggen waarin antwoord wordt gegeven op vraag wat de deskundigheid en ervaring van de heer [D] op het gebied van verkeershandhaving is, in bijzonder met betrekking tot flitspalen en wat in dit geval verstaan dient te worden onder ‘het staken van de handhaving’.
12. De advocaat-generaal heeft in reactie hierop een verklaring van [E] , sectiehoofd van de sectie Verkeershandhaving van de DVOM, ingebracht. Hierin wordt het volgende verklaard:
“Het antwoord op bovenstaande vraag is geformuleerd door de heer [D] en luidt als volgt: ‘Het stoppen van de handhaving wil zeggen dat het betreffende handhavingsmiddel geen overtredingen meer constateert (het hof begrijpt: geen gedragingen meer vaststelt) en voor verwerking aanlevert.’
De heer [D] is vanaf 2012 als technisch specialist op het gebied van verkeershandhaving en embedded software testing werkzaam voor het CJIB en het OM. Hij is zowel betrokken geweest bij de aanbesteding van deze handhavingsmiddelen, als bij de test- en validatiewerkzaamheden bij de oplevering en in beheer name van deze middelen. Tijdens de beheerfase heeft hij als technisch adviseur voor de verkeershandhavingsmiddelen onderdeel uitgemaakt van het Expertisecentrum van de Sectie Verkeershandhaving bij het OM. In die hoedanigheid was hij mede verantwoordelijk voor de beantwoording van vragen over de handhavingsmiddelen bij bezwaren, beroep, hoger beroepen en WOB-verzoeken. Daarnaast was hij namens politie en het OM lid van het Advisory Committee van het NMi.”
13. Het hof ziet, gelet op de door [D] gegeven uitleg, in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de gebruikte apparatuur. Nu de gemachtigde voor het overige slechts ontkent dat de gedraging is verricht, ziet het hof geen reden om aan de juistheid van de gegevens te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie daarom ongegrond verklaren.
14. Omdat de inleidende beschikking niet wordt vernietigd, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding (vgl. het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197).

Beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.