ECLI:NL:GHARL:2020:2244

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
27 februari 2020
Publicatiedatum
16 maart 2020
Zaaknummer
21-005598-16
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hof verklaart officier van justitie niet-ontvankelijk in hoger beroep wegens onbekendheid verdachte

De officier van justitie stelde tijdig hoger beroep in tegen het vonnis van de politierechter. Tijdens de behandeling bleek echter dat de dagvaarding voor de zittingen in hoger beroep niet correct was betekend, waardoor de zaak meerdere keren werd aangehouden.

Het hof stelde vast dat de oproep in hoger beroep uiteindelijk rechtsgeldig was betekend aan een medewerker van het openbaar ministerie en dat vertalingen naar adressen in het buitenland waren gestuurd. Echter, er was geen bewijs dat de verdachte zelf op de hoogte was gebracht van het hoger beroep.

Gezien de ouderdom van de feiten, de belangenafweging en de vordering van de advocaat-generaal, besloot het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep. De verdachte was niet verschenen en niet op de hoogte gesteld, waardoor het hoger beroep niet ontvankelijk werd verklaard.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van kennisgeving aan de verdachte.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005598-16
Uitspraak d.d.: 27 februari 2020
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 10 oktober 2016 met parketnummer 18-133914-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land] ) op [geboortedatum] 1986,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
laatstelijk bekend adres van verdachte: [adres] , [plaats] ( [land] ).

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 27 februari 2020.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in het ingestelde hoger beroep. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof stelt vast dat de officier van justitie op 19 oktober 2016 tijdig hoger beroep heeft ingesteld. De aanzegging hoger beroep is betekend aan de griffie.
Voorts is tijdens de behandeling van de zaak op 24 januari 2018 en 26 maart 2019 bij dit hof gebleken dat de dagvaarding/oproep voor de betreffende zitting in hoger beroep niet op de juiste wijze was betekend. De zaak is beide keren aangehouden voor onbepaalde tijd teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen verdachte op de juiste wijze te dagvaarden.
Het hof stelt vast dat thans sprake is van een rechtsgeldige betekening van de oproep in hoger beroep. Deze is tijdig betekend aan een medewerker van het openbaar ministerie. Voorts is een afschrift (vertaald in het Pools) gestuurd naar het adres in [land] en het adres in [land] . Van een betekening in persoon op het adres in [land] of [land] is echter niet gebleken. Verdachte is niet ter terechtzitting verschenen.
Voorgaande betekent dat niet is gebleken dat verdachte op enig moment op de hoogte is geraakt van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep. Na een afweging van alle in deze zaak spelende belangen verbindt het hof hieraan, mede gelet op de ouderdom van de verweten feiten en gelet op de vordering van de advocaat-generaal, de conclusie dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. M.C. Fuhler, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. A.H. toe Laer, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,
en op 27 februari 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.