De zaak betreft een geschil tussen ouders over het gezag, zorgregeling en de verhuizing van hun drie minderjarige kinderen na een verbroken relatie en het overlijden van een vierde kind. De moeder is zonder toestemming verhuisd met de kinderen, waarna de vader een verzoek tot terugverhuizing en zorgregeling indiende.
Het hof heeft in het kader van een pilot de raad voor de kinderbescherming gevraagd onderzoek te doen en te adviseren over het gezag en de zorgregeling. Tijdens de zitting op 10 februari 2020 zijn ook de kinderen gehoord. Beide ouders zijn verschenen met hun advocaten, evenals vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling en de raad.
Het hof constateert dat de situatie van de kinderen kwetsbaar is door de echtscheidingsstrijd, het overlijden van hun zus en de verhuizing. De ouders lijken het erover eens dat de kinderen tot aan de zomervakantie bij de vader kunnen wonen om het contact te herstellen. Het hof acht dit in het belang van de kinderen, mede vanwege de aanwezige hulpverlening en het hervatten van de schoolgang in de vertrouwde omgeving.
De definitieve beslissing over verhuizing, hoofdverblijf, gezag en zorgregeling wordt aangehouden om partijen de gelegenheid te geven de hulpverlening en omgang te laten plaatsvinden. Het hof schorst de uitvoerbaarheid van de eerdere beschikking over het hoofdverblijf tot 23 februari 2020, waarna het hoofdverblijf voorlopig bij de vader zal zijn. Partijen dienen uiterlijk 30 april 2020 schriftelijk verslag uit te brengen over de stand van zaken.