ECLI:NL:GHARL:2020:2314

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2020
Publicatiedatum
17 maart 2020
Zaaknummer
Wahv 200.206.475/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WahvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens appelverbod in bestuursstrafzaak Wahv

In deze bestuursstrafrechtelijke zaak heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het hoger beroep van de betrokkene tegen een beslissing van de kantonrechter behandeld. De kantonrechter had het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard omdat het appelverbod van artikel 14 van Pro de Wahv van toepassing was. De betrokkene stelde dat dit appelverbod in strijd was met artikel 6 EVRM Pro en vroeg om prejudiciële vragen aan het HvJEU, alsmede doorbreking van het appelverbod wegens procedurele tekortkomingen.

Het hof oordeelde dat het appelverbod niet in strijd is met artikel 6 EVRM Pro en dat er geen reden is om het buiten toepassing te laten. Het hof wees erop dat het niet bevoegd is prejudiciële vragen te stellen over het EVRM en dat de gestelde procedurele bezwaren geen grond vormen om het appelverbod te doorbreken. Tevens werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee het appelverbod in bestuursstrafzaken zoals geregeld in de Wahv. Hiermee blijft de uitspraak van de kantonrechter ongewijzigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.206.475/01
CJIB-nummer
: 190107802
Uitspraak d.d.
: 17 maart 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 18 oktober 2016, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. [B] , kantoorhoudende te [C] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 21 juli 2017, 9 oktober 2017, 18 januari 2018 en 16 juli 2018 zijn nog brieven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

De beoordeling

1. Artikel 14 van Pro de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
Van geen van deze situaties is hier sprake.
2. De gemachtigde van de betrokkene betoogt dat het hof prejudiciële vragen dient te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) met betrekking tot het buiten toepassing laten van artikel 14, eerste lid, van de Wahv, omdat niet is voldaan aan het recht dat is neergelegd in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
3. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat artikel 6 EVRM Pro niet meebrengt dat artikel 14, eerste lid, van de Wahv buiten toepassing moet worden gelaten. Het hof zal geen prejudiciële vragen stellen aan het HvJEU, reeds omdat dit hof slechts bevoegd is om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraken te doen over de uitlegging van de verdragen betreffende de EU, en niet betreffende het EVRM (vgl. het arrest van het hof van
10 februari 2017, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2017:1003). De prejudiciële procedure kan daarom niet worden benut ten aanzien van bepalingen in het EVRM (vgl. het arrest van het HvJEU van 26 februari 2013, Åkerberg Fransson, ECLI:EU:C:2013:105, gepubliceerd op curia.europa.eu met vindplaats C-617/10, r.o. 44).
4. Verder voert de gemachtigde aan dat het appelverbod moet worden doorbroken (het hof begrijpt: buiten toepassing worden gelaten) omdat geen afschrift van het procesdossier is verstrekt, de kantonrechter niet heeft beslist op een verzoek tot aanhouding en er geen proces-verbaal van het verhandelde ter zitting is opgemaakt.
5. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 12 juli 2018 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:GHARL:2018:6402) kunnen de verweren er niet toe leiden dat het appelverbod buiten toepassing wordt gelaten. Deze verweren hebben geen betrekking op het in artikel 6 van Pro het EVRM besloten liggende recht op toegang tot de rechter als in dat arrest bedoeld.
6. Gelet op het voorgaande zal het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard en het verzoek tot vergoeding van kosten worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.