ECLI:NL:GHARL:2020:2330

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 maart 2020
Publicatiedatum
17 maart 2020
Zaaknummer
200.213.927
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boetebeding bij te late betaling koopprijs woning

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de boeteclausule in de koopovereenkomst van een woning gematigd moest worden vanwege de te late betaling van de koopprijs door appellant. Appellant betaalde de koopprijs ongeveer een maand te laat, wat aanleiding gaf tot het opleggen van een boete door Challenge Vastgoed B.V.

Het hof overwoog dat matiging van de boete slechts mogelijk is indien toepassing ervan leidt tot een buitensporig en onaanvaardbaar resultaat, waarbij onder meer gekeken wordt naar de verhouding tussen werkelijke schade en boete, de aard van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval. Het boetebeding is een gebruikelijk beding bij koop van woonhuizen en draagt bij aan rechtszekerheid.

Challenge heeft gemotiveerd betwist dat zij een buitensporig financieel voordeel heeft behaald en heeft toegelicht dat zij door de te late betaling liquiditeitsproblemen had, waardoor zij geen biedingen kon uitbrengen op andere woningen, wat een schadepost van minstens €37.050,- opleverde. Appellant kon zijn stellingen onvoldoende onderbouwen.

Het hof concludeerde dat de boete niet buitensporig is en daarom niet gematigd wordt. Het ingestelde verzet van appellant wordt afgewezen en het arrest van 14 augustus 2018 blijft in stand. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure.

Uitkomst: Het hof wijst het verzet af en bevestigt dat de boete niet gematigd wordt.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.213.927
(zaaknummer rechtbank Gelderland, 5037827)
arrest van 17 maart 2020
in de zaak van
[appellant],
wonende te [A] ,
opposant in het principaal hoger beroep,
appellant in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna: [appellant] ,
procesvertegenwoordiger onttrokken, voorheen: mr. K. Horstman,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Challenge Vastgoed B.V.,
gevestigd te Apeldoorn,
geopposeerde in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
in eerste aanleg: eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna: Challenge,
advocaat: mr. D.J. Brugge.

1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 november 2019 hier over.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- de akte uitlating van Challenge met producties.
1.3
Vervolgens heeft Challenge de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1
Bij het tussenarrest van 5 november 2019 is de zaak naar de rol verwezen om Challenge in de gelegenheid te stellen bij akte zich uit te laten over de in rechtsoverweging 4.4 van het tussenarrest genoemde punten, die volgens [appellant] meebrengen dat de door Challenge en hem overeengekomen boete moet worden gematigd tot nihil, althans tot een bedrag van € 1.650,-. [appellant] is niet in de gelegenheid gesteld om op de producties te reageren, omdat zijn procesvertegenwoordiger zich heeft onttrokken en zich voor [appellant] , ondanks het feit dat hij door mr. Horstman op de gevolgen van die onttrekking is gewezen, geen nieuwe procesvertegenwoordiger heeft gesteld.
2.2
Zoals het hof in het tussenarrest heeft overwogen zou de boete kunnen worden gematigd, indien toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat zou leiden. Daarbij moet gelet worden op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, de aard van de overeenkomst en de inhoud en strekking van het beding, alsmede de omstandigheden waaronder het is ingeroepen en de overige omstandigheden van het geval. De rechter dient deze bevoegdheid tot matiging terughoudend te hanteren. Matiging is slechts toegestaan indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist.
2.3
Met betrekking tot de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het boetebeding stelt het hof bij de beoordeling daarvan voorop dat het een gebruikelijk beding is bij de koop en verkoop van woonhuizen. Het bevat een prikkel tot (tijdige) nakoming van wezenlijke verplichtingen die rusten op beide partijen. In zoverre draagt het boetebeding naar zijn aard bij tot de rechtszekerheid, hetgeen van betekenis is bij het oordeel of de billijkheid in het onderhavige geval klaarblijkelijk eist dat de boete wordt gematigd.
2.4
Tussen partijen staat vast dat [appellant] ten tijde van de koop van de woning op de veiling door Challenge en de daarna gevolgde verkoop aan [appellant] nog in de woning woonde en dat hij heeft meegewerkt aan de juridische levering van de woning en de koopprijs heeft betaald, maar dat hij dat ongeveer een maand te laat heeft gedaan, namelijk op 17 maart 2016 in plaats van op 18 februari 2016.
2.5
De stelling van [appellant] dat Challenge een financieel voordeel van € 37.000,- heeft genoten door de koop van de woning op de veiling en de verkoop van de woning aan [appellant] , heeft Challenge gemotiveerd betwist. Uit de door haar als productie 3 overgelegde nota van afrekening van de instrumenterend notaris maakt het hof op dat Challenge voor de door haar op de veiling gekochte woning aan de [a-straat 1] in [A] in totaal
€ 306.024,38 (de koopsom van € 287.000,- vermeerderd met kosten) heeft betaald. Dat impliceert dat Challenge met de verkoop van de woning aan [appellant] , anders dan deze heeft gesteld, geen hogere marge dan de door Challenge genoemde marge van circa € 23.500,- heeft gerealiseerd.
2.6
De stelling van [appellant] dat Challenge heeft geprofiteerd van de omstandigheid dat [appellant] graag in de woning wilde blijven wonen, heeft Challenge eveneens gemotiveerd betwist. Daartoe heeft zij, onder verwijzing naar de door haar gerealiseerde marge bij de verkoop van een aantal andere woningen, aangevoerd dat zij een veel hoger voordeel had kunnen behalen indien zij ervoor had gekozen om de woning op de openbare markt te verkopen.
2.7
Voor zover [appellant] met zijn betoog dat de boete dient te worden gematigd tot nihil, althans tot een bedrag van € 1.650,-, heeft bedoeld dat de schade van Challenge in ieder geval niet hoger is dan € 1.650,-, staat dat niet vast. Challenge heeft immers aangevoerd dat zij in de periode van 18 februari 2016 tot 17 maart 2016 geen bod heeft kunnen uitbrengen op een aantal woningen die in die periode via de regionale vastgoedveiling te koop werden aangeboden, omdat het haar aan liquiditeit ontbrak ten gevolge van de niet nakoming door [appellant] in die periode. Daardoor is Challenge een winst van minstens € 37.050,- misgelopen, zo heeft zij toegelicht.
2.8
Gelet op het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden niet tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. [appellant] heeft weliswaar in het algemeen bewijs van zijn stellingen aangeboden, maar geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die op dit punt tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zodat het hof zijn bewijsaanbod passeert.

3.De slotsom

3.1
Het door [appellant] ingestelde verzet slaagt niet. Het arrest van 14 augustus 2018 blijft daarom in stand.
3.2
Als de in het ongelijk te stellen partij in de verzetprocedure zal het hof [appellant] in de kosten van die procedure veroordelen.
De desbetreffende kosten aan de zijde van Challenge zullen worden vastgesteld op
€ 537,- (1/2 punt x tarief II).

4.De beslissing

Het hof, recht doende in verzet in hoger beroep:
wijst het door [appellant] ingestelde verzet af;
verstaat dat het door dit hof op 14 augustus 2018 gewezen arrest in stand blijft;
veroordeelt [appellant] in de kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van Challenge vastgesteld op € 537,-.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, A.E.F. Hillen en A.A. van Rossum en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2020.