De vennootschap onder firma Manege Rusthof vordert in hoger beroep dat de besloten vennootschap Grondbank B.V. wordt veroordeeld tot betaling van een geldbedrag en tot verwijdering van vervuilde bagger die op haar percelen is gestort. Partijen sloten in 2012 een overeenkomst waarbij Grondbank baggerspecie mocht storten op de percelen van de manege tegen vergoeding, met de eis dat de bagger schoon en verspreidbaar zou zijn.
Na het aantreffen van asbest in de bagger en het uitvoeren van saneringen, stelt de manege dat de bagger niet voldoet aan de overeengekomen kwaliteit en vordert zij volledige verwijdering en aanvullende sanering. Grondbank stelt dat de bagger voldoet aan bestuursrechtelijke normen voor verspreidbare bagger en dat er geen andere afspraken zijn gemaakt.
Het hof past de Haviltex-maatstaf toe en concludeert dat partijen niet zijn overeengekomen dat de bagger volledig vrij van verontreinigingen moest zijn. De manege mocht rekening houden met enige verontreiniging en heeft niet redelijkerwijs mogen verwachten dat alleen schoon zand zou worden gestort. De vorderingen tot verwijdering en aanvullende sanering worden afgewezen en het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. De manege wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.