ECLI:NL:GHARL:2020:2536

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
25 maart 2020
Publicatiedatum
25 maart 2020
Zaaknummer
21-001119-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van belediging politieambtenaar via Instagram wegens onvoldoende bewijs

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter, waarin verdachte was veroordeeld tot een taakstraf wegens het beledigen van een politieambtenaar via een Instagram-bericht.

De tenlastelegging betrof het plaatsen van beledigende woorden en een middelvinger-icoon op het Instagram-account van de wijkagent. Verdachte ontkende stellig het bericht te hebben geplaatst en voerde aan dat mogelijk een andere bewoner van het wooncomplex, waar verdachte verbleef en die toegang had tot een gezamenlijke computer, het bericht had geplaatst via zijn account.

Hoewel verdachte in het verleden veroordeeld was voor bedreigingen aan politieambtenaren, kon het gerechtshof niet met voldoende zekerheid vaststellen dat verdachte de dader was. De verdediging kon niet concreet aanwijzen wie anders de belediging zou hebben geplaatst. Hierdoor ontbrak het aan wettig en overtuigend bewijs om verdachte te veroordelen, wat leidde tot vrijspraak.

Daarnaast werd een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf afgewezen vanwege deze vrijspraak.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak verdachte vrij van de tenlastelegging.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van de belediging van een politieambtenaar wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001119-19
Uitspraak d.d.: 25 maart 2020
Tegenspraak
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 15 februari 2019 in de strafzaak met het parketnummer 16-225626-18 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling met het parketnummer
07-610098-07, inzake de verdachte

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 11 maart 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door vijftien dagen hechtenis, alsmede dat het gerechtshof de vordering na voorwaardelijke veroordeling zal toewijzen.
Het gerechtshof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.G. Meijer, ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter de verdachte veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van dertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door vijftien dagen hechtenis, en heeft de politierechter de vordering na voorwaardelijke veroordeling afgewezen.
Het gerechtshof zal dat vonnis vernietigen omdat het gerechtshof tot een andere bewijsbeslissing komt dan de politierechter. Het gerechtshof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 11 september 2018 te [plaats] opzettelijk een politieambtenaar, te weten [verbalisant] , gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in het openbaar, mondeling en door feitelijkheden heeft beledigd, door haar op haar (wijkagenten)Instagram-account de woorden toe te voegen: "Wees er maar trots op hoer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking, voorzien van een icoontje met opgestoken middelvinger.
Het gerechtshof heeft de in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdedigingsbelang.

Vrijspraak

Het gerechtshof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem ten laste gelegde delict heeft begaan, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het gerechtshof grondt deze beslissing op het volgende.
De verdachte heeft zowel in het politieverhoor als ter terechtzitting in hoger beroep stellig ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de in de tenlastelegging genoemde belediging.
Meer in het bijzonder heeft de verdachte aangevoerd dat bedoeld bericht weliswaar van zijn Instagramaccount afkomstig is, echter niet van hem, maar kennelijk van een andere bewoner van het wooncomplex waarin hij destijds verbleef, die (stiekem) gebruik heeft gemaakt van zijn account, nadat de verdachte zijn account kennelijk niet goed had afgesloten.
De verdediging heeft door middel van een schriftelijke vraag aan één van de woonbegeleiders van Amsta, waar de verdachte destijds verbleef, achterhaald dat het wooncomplex een gezamenlijke ruimte heeft waar de bewoners gebruik kunnen maken van een computer.
De verdachte heeft naar het oordeel van het gerechtshof niet voldoende concreet kunnen antwoorden op de vraag welke bewoner volgens hem dan de boosdoener zou kunnen zijn geweest. Op grond van het uittreksel uit de justitiële documentatie van de verdachte kan worden vastgesteld dat hij in het jaar 2017 in aanraking met de politie en met justitie is gekomen vanwege bedreigingen tegen politiemedewerkers en dat hij ter zake daarvan is veroordeeld. In het politieverhoor heeft hij zich daarnaast behoorlijk vijandig ten opzichte van de politie betoond. Dan is het op zich niet vreemd om aan te nemen dat het ten laste gelegde delict wel past bij de persoon van de verdachte zoals het gerechtshof daarvan een beeld heeft gekregen.
Niettemin kan het gerechtshof - gelet op hetgeen is aangevoerd door de verdachte en zijn raadsvrouw - niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte de dader is. Dit dient te leiden tot vrijspraak.
De vordering na voorwaardelijke veroordeling (13-120782-17)
De officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland heeft een vordering na voorwaardelijke veroordeling van 13 november 2018 ingediend, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2018 opgelegde voorwaardelijke taakstraf.
Gelet op de hierboven genoemde vrijspraak dient deze vordering te worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Midden-Nederland van 13 november 2018, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2018, parketnummer 13-120782-17, voorwaardelijk opgelegde taakstraf.
Aldus gewezen door
mr. E. de Witt, voorzitter,
mr. J. Dolfing en mr. L.J. Bosch, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,
en op 25 maart 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.