ECLI:NL:GHARL:2020:2568

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
26 maart 2020
Publicatiedatum
26 maart 2020
Zaaknummer
Wahv 200.254.903/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 lid 1 onder b RVV 1990Art. 54 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor parkeren voor een duidelijk herkenbare in- en uitrit

De betrokkene is beboet voor het parkeren voor een in- en uitrit op 17 april 2018 te Huizen. Zij erkent naast een talud te hebben geparkeerd, maar betwist dat er sprake is van een in- of uitrit, omdat de bewoners geen oprit hebben en de tuin met een haag niet berijdbaar is. Zij heeft foto's overgelegd ter onderbouwing.

De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en het gerechtshof bevestigt deze beslissing. Het hof overweegt dat de uitmonding van het pad op de doorgaande weg duidelijk herkenbaar is als in- en uitrit, mede door het doorlopende trottoir en de aanwezigheid van inritblokken. De bestemming hoeft niet altijd direct duidelijk te zijn; de constructie en herkenbaarheid zijn doorslaggevend.

Daarom is de overtreding van artikel 24, eerste lid, onder b, RVV 1990 vastgesteld en de opgelegde sanctie van €95 terecht. De beslissing van de kantonrechter wordt bevestigd.

Uitkomst: De boete van €95 voor parkeren voor een in- en uitrit wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.254.903/01
CJIB-nummer
: 216331353
Uitspraak d.d.
: 26 maart 2020
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 7 januari 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren voor een in- en of uitrit”. Deze gedraging zou zijn verricht op
17 april 2018 om 17.16 uur op de Visserstraat 106 in Huizen met het voertuig met het kenteken
[00-YY-YY] .
2. De betrokkene erkent wel naast een talud te hebben geparkeerd, maar voert aan dat er geen sprake is van een in- of uitrit. De huidige bewoners hebben geen oprit, maar een tuin met een haag waar je niet op kunt rijden. Toevallig ligt het talud er nog. Bij de gemeente is ook niets in de archieven te vinden waaruit blijkt dat het hier om een eigen oprit gaat. Daarnaast vindt de betrokkene het merkwaardig dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, terwijl ze die twijfel duidelijk heeft aangeleverd. Ter onderbouwing van haar verweer heeft de betrokkene foto’s van de situatie ter plaatse toegestuurd.
3. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat het voornoemde voertuig Ford blauw met kentekennummer [00-YY-YY] stond geparkeerd voor een in-uitrit. Ik zag dat het voornoemd voertuig de in/uitrit blokkeerde van de bewoner.”
4. Op de foto’s die de betrokkene heeft toegestuurd is rechts een hoekhuis te zien, met aan de linkerzijde van de woning een tuin. De tuin is door middel van een heg afgescheiden van een pad dat langs de zijkant van het huis loopt. Naast het pad aan de zijkant van het huis is een bloemenperk te zien. De heg naast het huis loopt schuin tot voor het huis. Voor het huis ligt een trottoir langs de doorgaande weg. De stoeprand is onderbroken door inritblokken. Het talud is ongeveer ter breedte van het pad dat links langs het huis loopt en de tuin naast het huis.
5. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). Op grond van dit artikel mag de bestuurder zijn voertuig niet parkeren voor een inrit of een uitrit.
6. De begrippen inrit en uitrit zijn in de regelgeving niet gedefinieerd, omdat de veelheid van feitelijke situaties zich lastig in een definitie laat vangen. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een in- of uitrit, is daarom van belang of van iedere verkeersdeelnemer ter plaatse mag worden verwacht dat hij een uitmonding op duidelijk herkenbare wijze als in- of uitrit kan herkennen. Daarbij speelt de bestemming van de uitmonding (bijvoorbeeld de toegang tot een erf van een woning of bedrijfsunit) en de constructie van de uitmondingsituatie een belangrijke rol.
7. Verder is van belang dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van het RVV 1990 (Staatsblad 1990, 459 en 497) volgt dat ook wanneer de bestemming niet onmiddellijk duidelijk is, er sprake kan zijn van een in- of uitrit. Wanneer een constructie zich als in- of uitrit voordoet, kan deze als zodanig worden aangemerkt. Bij de beoordeling neemt het hof daarnaast in aanmerking dat de begrippen inrit en uitrit ook gebruikt worden in de voorrangsregeling in geval van bijzondere manoeuvres, die wordt geregeld in artikel 54 van Pro het RVV 1990. Weggebruikers moeten daarom in één oogopslag kunnen beoordelen of een uitmonding een in- of uitrit is.
8. Naar het oordeel van het hof is de onder 5. omschreven situatie ter plaatse een uitmonding die als een in- en uitrit kan worden aangemerkt. In dit geval is er sprake van een pad, dat uitmondt op een doorgaande weg. Het trottoir langs de doorgaande weg loopt door over de aansluiting en er is gebruik gemaakt van inritblokken. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat is voldaan aan het constructiecriterium, een verkeersdeelnemer kan de uitmonding duidelijk als een in- en uitrit herkennen. Aan de betrokkene kan worden toegegeven dat de bestemming niet direct duidelijk is. De ambtenaar heeft daar ook geen informatie over verstrekt. Onder verwijzing naar de hiervoor omschreven totstandkomingsgeschiedenis van het RVV 1990, is dit echter geen omstandigheid die meebrengt dan geen sprake is van in- en uitrit.
9. Gelet op het voorgaande stelt het hof dan ook vast dat de gedraging is verricht. De kantonrechter heeft juist beslist. Daarom zal die beslissing worden bevestigd.

Beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.