Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
[h.o.d.n. bewindvoerder], in haar hoedanigheid van bewindvoerder van
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2005 in Marokko gehuwd met aanvankelijk Marokkaans huwelijksvermogensrecht van toepassing, dat vanaf 9 september 2015 is vervangen door Nederlands recht. De vrouw vroeg in 2017 echtscheiding aan, die in 2018 werd uitgesproken, waarna de verdeling van de gemeenschap van goederen werd aangehouden.
De man stelde in hoger beroep vier grieven in, onder meer over de eigendom en verdeling van een perceel grond in Marokko, de erfenis van de vrouw van haar moeder en een schuld aan een derde. De vrouw kwam met een grief in incidenteel hoger beroep over de waarde van het perceel.
Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat het huwelijksvermogensrecht tot 2015 Marokkaans is en daarna Nederlands. De man kon niet aantonen dat toepassing van Nederlands recht op het perceel onaanvaardbaar was. De waarde van het perceel werd vastgesteld op MAD 350.000,-. De vrouw had geen vermogen uit de erfenis na 2015 ontvangen dat onder Nederlands recht valt. De schuld aan de derde was onvoldoende onderbouwd en behoort tot de schulden van de man.
Daarom faalden alle grieven en werd de beschikking van de rechtbank Overijssel van 25 september 2018 bekrachtigd. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst de grieven van partijen af.