De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 370,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare geldige gehandicaptenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 november 2017 om 17:10 uur op de Lijnbaan in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. Nu de advocaat-generaal heeft besloten deze beschikking te vernietigen, heeft de betrokkene bereikt wat met het hoger beroep werd beoogd. Daarom heeft de betrokkene geen belang meer bij een uitspraak van het hof op het hoger beroep, voor zover dit gericht is tegen de beslissing van de kantonrechter om het beroep ongegrond te verklaren. Het beroep wordt in zoverre niet-ontvankelijk verklaard.
3. De gemachtigde stelt dat de kantonrechter het verzoek om vaststelling van een dwangsom ten onrechte heeft afgewezen. Hij voert hiertoe aan dat door de betrokkene of de gemachtigde geen (tijdig) verdagingsbericht is ontvangen. De verzendadministratie van de officier van justitie is niet betrouwbaar, nu onduidelijk is wanneer de enveloppe waarin het verdagingsbericht aanwezig was, feitelijk wordt opgehaald door PostNl en bovendien de enveloppe zelf niet te achterhalen valt. Gelet op de ingebrekestelling en de datum waarop uiteindelijk is beslist, heeft de officier van justitie een dwangsom verbeurd.
4. De inleidende beschikking is op 12 december 2017 verzonden aan de betrokkene. De beslistermijn eindigde, gelet op de artikelen 6:7, 6:8 en artikel 7:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in beginsel op 15 mei 2018. De gemachtigde heeft de officier van justitie bij brief van 15 mei 2018, binnengekomen op 16 mei 2018, in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het administratief beroep. De officier van justitie heeft op 29 juni 2018 op het administratief beroep beslist.
5. Het dossier bevat verder een brief van de officier van justitie van 14 mei 2018 waarin de termijn om te beslissen, overeenkomstig artikel 7:24, vierde lid, van de Awb, met 10 weken wordt verlengd. De betreffende brief is gericht aan [D] , Postbus [000] , [E] (het adres van de gemachtigde) en bevat kenmerk LD6418 en CJIB-nummer 1062 5422 1277 2512.
6. Het dossier bevat verder de verzendadministratie van de Hoorpoule, afdeling Mulder beoordelen, van het Parket CVOM. Deze verzendadministratie heeft betrekking op verzending van diverse poststukken aan [D] , die in een overzicht zijn verwerkt. In dat overzicht staat in de vijfde regel achtereenvolgens: kenmerk LD6418, CJIB-nummer 212772512, dagtekening 14-5-2018 en postcode [E] . Onder het overzicht is de volgende tekst opgenomen: ‘Bovenstaande brieven heb ik ontvangen en gecontroleerd op aantal, kenmerk en postcode in bijzijn van medewerker hoorpoule en zijn ter post bezorgd op’, voorzien van de handtekening van de medewerker postkamer en de datum 14 mei 2018.
7. De officier van justitie heeft hiermee naar het oordeel van het hof aannemelijk gemaakt dat de verdagingsbrief op 14 mei 2018 aan de gemachtigde is verzonden. Het hof verwerpt het verweer dat deze verzendadministratie onbetrouwbaar is.
8. Gelet hierop ligt het op de weg van de gemachtigde om de ontvangst van de brief op een niet ongeloofwaardige wijze te ontkennen. Daarin is hij niet geslaagd. De enkele ontkenning van de ontvangst van de stukken is daartoe onvoldoende.
9. Gelet op het voorgaande heeft de officier van justitie de beslistermijn tijdig verlengd. Dit brengt mee dat de officier van justitie tijdig op het administratief beroep heeft beslist en geen dwangsom is verschuldigd. De kantonrechter heeft juist beslist. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter op dit punt bevestigen.
10. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Voor vergoeding komen de volgende proceshandelingen in aanmerking: het indienen van een administratief beroepschrift, een telefonische hoorzitting, het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht het voor het horen door de officier van justitie toegekende hele punt halveren. Dat er – zoals de gemachtigde – stelt ook dossiers zijn waarbij rechtsbijstand wordt geleverd die verder reikt dan een gebruikelijk mulderdossier en hierbij geen verhoging wordt toegepast, brengt niet mee dat het hof geen gebruik kan maken van de matigingsbevoegdheid in de onderhavige zaak. De waarde per punt bedraagt € 525,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 918,75 (3,5 x 525,- x 0,5).