ECLI:NL:GHARL:2020:262
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onmiddellijke invrijheidstelling wegens onrechtmatige verzekerde bewaring in faillissementszaak
Appellant, (middellijk) bestuurder van diverse failliete vennootschappen, werd in verzekerde bewaring gesteld wegens het niet voldoen aan zijn informatieplicht aan de curator op grond van artikel 87 Faillissementswet Pro. De rechtbank had de bewaring verlengd nadat de eerste termijn van 30 dagen was verstreken.
Appellant kwam in hoger beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek tot ontslag uit de bewaring en schorsing daarvan. Het hof onderzocht of de voortzetting van de bewaring, die een inbreuk op de persoonlijke vrijheid vormt, gerechtvaardigd was.
Het hof oordeelde dat de bewaring geldig was tot en met 1 januari 2020 en dat verlenging op 3 januari 2020 niet meer mogelijk was, waardoor appellant zonder geldige titel werd gedetineerd. Het beroep van appellant op artikel 88 lid 1 Fw Pro slaagde en het hof vernietigde de beschikking van 20 december 2019 en bepaalde onmiddellijke invrijheidstelling.
Het incidenteel hoger beroep van de curator werd niet inhoudelijk behandeld omdat een nieuw bevel tot inbewaringstelling vereist is voor rechtmatige detentie. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken door drie raadsheren van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het hof vernietigde de verlenging van de verzekerde bewaring en beval onmiddellijke invrijheidstelling van appellant.